
Guinea-Bissau
Guinea-Bissau is een klein landje aan de westkust van Afrika. De hoofdstad is (je raadt het al) Bissau en daar woont 20% van de bevolking van het land. In totaal leven er 1300.000 mensen op een oppervlakte van 36.000 vierkante kilometer. Het land is iets minder dan drie keer de grootte van Connecticut (één van de provincies van de Verenigde Staten). Ten noorden van het land ligt Senegal, ten zuiden ligt Guinea.
Guinea-Bissau was in de zestiende en
zeventiende eeuw een kolonie van Portugal. Die Portugezen brachten veel inwoners van het
land naar de plantages in Brazilië. Die slaven werden verscheept vanuit de haven van
Cacheu: nog steeds één van de belangrijkste steden van Guinea-Bissau. Na de Portugezen
kwamen de Britten en Fransen de baas spelen in het land. Daarna overwon Portugal het land
weer en bleef het tot 1851 één van hun overzeese provinciën. In 1994, twintig jaar
nadat het land onafhankelijk werd van Portugal, werden er voor het eerst
presidentsverkiezingen gehouden. Vijf jaar later grepen hoge militairen de macht en
voerden een dictatoriaal bewind. Regeringstroepen die werden gesteund door het buurland
Senegal gingen vechten met die militaire junta en er vielen honderdduizenden slachtoffers.
Behalve de gewonden en doden, werd ook de hele infrastructuur van Guinea-Bissau vernield.
Nu is er wel weer een nieuwe president (Kumba Yala), maar de gevolgen van de burgeroorlog
voor de economie zijn nog steeds duidelijk merkbaar. Guinea-Bissau komt nu voor in het
rijtje van de tien armste landen ter wereld.
Er was een tijd dat Guinea-Bissau veel cashewvruchten (de
steeltjes van deze vrucht ken je vast wel: de gelijknamige nootjes in de vorm van
niertjes) exporteerde, maar door tegenvallende oogsten is dat de laatste paar jaar veel
minder geworden. Nu verkopen ze vooral vis aan het buitenland. Verder verdienen ze wat aan
het verbouwen van pindas en zijn andere landen blij met hout uit de bossen van
Guinea-Bissau. De bewoners van Guinea-Bissau eten vooral rijst en vis.
De bevolking van Guinea-Bissau bestaat voor 99% uit
Afrikanen. De rest is Europees of heeft het bloed van zowel Afrika als Europa in zich. Er
zijn verschillende stammen in Guinea-Bissau. De grootste groep zijn de Balanta (ruim één
op de vier personen is van deze groep). De Fula is een andere grote stam. De officiële
taal in het land is Portugees. Verder spreken ze er creools en andere Afrikaanse talen
zoals Peul, Belanta en Madé.
Ook de vlag van dit Afrikaanse land heeft de
populaire kleuren rood, groen, geel en zwart. Net als de vlag van bijvoorbeeld Ethiopië.
Het zijn populaire kleuren door de betekenis. Zo staat rood voor het bloed dat is gevloeid
tijdens de slavernij periode. Geel staat voor de zon en groen voor de aarde.

Wat wij als kunst uit Guinée-Bissau zien,
wordt in het land zelf vooral gebruikt tijdens rituelen. Bekend en beroemd zijn de houten
beeldjes en dierenmaskers die er levensecht uitzien. In het droogseizoen wordt er met die
maskers (vaak op een stok gebonden) gedanst tijdens bijvoorbeeld rituelen voor één van
hun beschermgoden: Elek. Dit is de kop van een vrouwtjesvogel.