Exegese
In de Goede Week staan opnieuw de symboolplaatsen “tuin”, “woestijn” en “berg”
centraal.
Morgen zijn dat de “tuin” en de “berg”, vandaag de “woestijn”. In de
Exoduslezing worden in de haast ongezuurd brood en bittere kruiden gegeten. De
Israëlieten staan op de valreep van hun “woestijnervaring”: aan de ene kant een
zware beproeving, aan de andere kant de bevrijding uit slavernij.
Voor de bereiding van brood werd meestal gerstemeel gebruikt, tarwemeel was een
luxe. Het meel werd in een baktrog met water vermengd en tot deeg gekneed,
waarbij zout en desem toegevoegd werd. De desem bleef achterwege bij bepaalde,
vooral cultische gelegenheden. Het deeg werd met de hand tot dunne, ronde,
vla-achtige koeken gevormd; daarna werd het gebakken. De gewone oven was de ook
nu nog gebruikelijke ‘tannur’, een naar boven spits toelopende cylinder, soms
gedeeltelijk in de grond ingemetseld, met van boven een opening voor de rook.
Ofschoon er bakkers vban beroep waren, was het bereiden van het brood de taak
van de vrouw des huizes of haar dienaressen en slavinnen. De ovens stonden in de
binnenhof of ook op een afzonderlijke bakplaats; dan konden meerdere vrouwen
dezelfde oven gebruiken. Soms gebruikte men geen oven, maar werd het brood
gebakken op een stenen of ijzeren bakplaat, rustend op drie stenen, waaronder
een vuur aangestoken werd, of nog eenvoudiger: doordat men het deeg ongezuurd op
hete as legde of met hete as bedekte. De ronde gebakken broden werden op een
stok geschoven of in manden bewaard. Het brood werd niet met een mes gesneden,
maar maar met de handen gebroken (het ‘breken des broods’). Brood diende in de
cultus: de toonbroden, het eerstelingenbrood, de offerbroden. Brood eten met
iemand betekende: een maaltijd of feestmaal met iemand houden, vooral bij het
sluiten van een verbond (Gen 31,54). Vandaar de uitdrukking ‘boord eten in het
Rijk Gods’(Luc 14,15). In Joh. 6, 31 (en verder) noemt Jezus zich ‘het brood dat
uit de hemel is neergedaald’, het ‘brood des levens’ en het ‘levend brood’.
De ongedesemde broden, zonder zuurdeeg, kwamen te pas, als men vlug brood moest
bakken, bijvoorbeeld bij de komst van onverwachte gasten, of in de oogsttijd. Ze
waren voorgeschreven voor alle offers waarbij brood gevoegd moest worden. Het
‘feest van de ongedesemde broden’ was een oud kanaänitisch feest dat door de
Israëlieten werd overgenomen en met hun paasfeest verbonden. Bij het joodse
paasfeest mogen gedurende een week alleen maar ongedesemde matzes worden
gegeten. Het herinnert aan het vertrek uit de slavernij van Egypte, toen ze snel
ongezuurde broden moesten bakken, omdat ze die op hun tocht langer goed zouden
kunnen houden.
Het verbod, zuurdeeg en al wat gegist was in de cultus te gebruiken, gaat terug
op de primitieve opvatting in de oudheid, die in gisting een bederfverschijnsel
zag. Daarom kan zuurdeeg in overdrachtelijke zin ook een zedelijk verderfelijke
invloed beteken. Paulus maant de christenen van Korinthe het oude zuurdeeg (alle
slechtheid van het heidendom) uit hun gemeente te verwijderen en feest te vieren
met de ongedesemde broden van reinheid en waarheid.
Verwerking - In de viering van Witte donderdag kan een witte doek (voile) over de
viertafel gedrapeerd worden, rondom een mandje witte viooltjes (nederigheid).
- Maak in de kindernevendienst met de kinderen figuren van brooddeeg of breng
paasbroodjes mee in verschillende vormen en vertel over de rituele betekenis van
brood.
- Laat ‘hosties’ zien en praat met de kinderen over de betekenis van het brood
in de liturgie.
FEESTBROOD (uit: KLAP nr. 840, uitgave Missio, Den Haag)
Brood wordt gemaakt van graan. 4500 jaar voor Christus werd er in ons land voor
het eerst graan verbouwd. In het begin van de jaartelling woonden de Romeinen in
ons land. Zij hadden een godin die Ceres heette. Die godin werd uitgebeeld met
een krans van korenaren om haar hoofd. Zij geeft ons brood te eten, zo vonden de
Romeinen. Brood werd dan ook wel "gaven van Ceres" genoemd. Pas sinds de
Middeleeuwen worden rogge en tarwe verbouwd, die ook nu nog voor de
broodbereiding worden gebruikt.
Feest
Tarwebrood, volkorenbrood of wittebrood ken je natuurlijk wel. Je eet het elke
dag. Maar weet je dat er ook speciaal brood is? Omdat het zo´n belangrijk
voedingsmiddel was kreeg het een speciale betekenis bij belangrijke momenten in
het leven. Zo werd in de Zaanstreek bij een geboorte beschuit met muisjes
uitgereikt. Nu is dat overal nog een gebruik. In Twente werden als kado hele
lange krentenbroden door de buurtgenoten naar de kraamvrouw gedragen. Ook bij
een huwelijksmaal waren er op verschillende plaatsen tradities. Een gebruik in
Limburg was het eten van geweekte brokken wittebrood. Die werden door de
aanwezigen met een lepel uit een kom geschept.
Bij een kinderfeestje werden ook speciale broodjes gegeten: "profeetjes". Die
hadden de vorm van een strikje.
Verhalen
In verhalen zorgde brood vaak voor nieuw leven. Zo is er het verhaal van St.
Rochus. Hij verzorgde mensen die aan de pest leden. Een hele besmettelijke
ziekte. Toen hij zelf besmet werd, werd hij weggejaagd door de mensen. Hongerig
en dorstig bleef hij in het bos achter. Maar... opeens kwam een hond hem een
brood brengen.
In weer een ander verhaal vroeg een vrouw aan haar buurvrouw een brood te leen.
Die zei dat ze zelf maar een half brood had. Ze kon niets missen! Als ze toch
meer had dan zou God dat meteen in steen mogen veranderen. Toen ze later in haar
kast keek zag ze...drie stenen broden!
Pasen Ook in bepaalde periodes van het jaar krijgt brood een speciale betekenis.
Met Palmpasen, een week voor Pasen, bakte men voor de kinderen haantjes, zwanen
of andere figuren van brooddeeg. Die werden versierd en op een stokje
rondgedragen. Met Pasen werden er Paasbroden gebakken. De kinderen kregen
paasmannetjes of paasvogeltjes. Broodjes die van wittebrooddeeg gevormd werden
met in het midden een ei.
Op Witte Donderdag, de donderdag voor Pasen, kreeg brood wel een hele speciale
betekenis. Op die dag herdenken we het Laatste Avondmaal van Jezus met zijn
vrienden. Jezus vergeleek zichzelf met het brood dat hij uitdeelde. Net zoals
brood wilde hij nieuw leven geven aan de mensen die dat nodig hadden. Na zijn
dood moesten zijn vrienden daarmee doorgaan. Om daaraan te blijven denken
moesten ze brood met elkaar blijven delen.
Hosties
In de christelijke kerk doen de mensen dat nu nog. Protestanten vieren enkele
keren per jaar Avondmaal. In de katholieke kerk wordt elke week Eucharistie
gevierd. Er worden dan "hosties" uitgedeeld. Kleine stukjes brood of koek die
speciaal worden door de woorden van Jezus die uitgesproken worden. Vroeger waren
de hosties van ongezuurd tarwemeel. Dat is meel zonder gist, zodat het niet
rijst.
Matzes Ook bij de feesten van de Joden neemt het brood een belangrijke plaats in.
Bijvoorbeeld elke week op Sabbat: dat is zaterdag. Voor hen is dat een speciale
rustdag is. Er worden dan "gallen" gegeten. Dat zijn gevlochten broodjes.
Bij het Sabbatmaal liggen twee gallen onder een mooi kleedje. De stukjes worden
in zout gedoopt en verdeeld over de mensen die aan tafel zitten. Bij het
Pesach-feest, het Joodse Paasfeest, moet al het voedsel dat door de gist gerezen
is uit het huis verwijderd worden. Gedurende een week mogen alleen maar
ongedesemde matzes worden gegeten. Dat zijn platte ronde paasbroden. Er worden
gaatjes in geprikt om er zeker van te zijn dat ze niet kunnen rijzen. De Joden
vieren dan dat ze lang geleden bevrijd werden uit de slavernij van Egypte. Vlak
voor hun vertrek moesten ze snel van die ongezuurde broden bakken. Die zouden ze
op hun tocht langer goed kunnen houden.
- Verhaal: De graankorrel en de mier (uit: KLAP nr. 840)
Mieren zijn echte verzamelaars. Ze leggen grote voorraden aan. Ze slepen zich
een breuk. Ook Maarten de mier is druk bezig met het aanleggen van een
wintervoorraad. Hij heeft een grote graankorrel op zijn rug. Eigenlijk is de
graankorrel te groot voor Maarten. "Wat loop je te zeulen", hoort Maarten. Hij
blijft staan. Hij legt de graankorrel neer en kijkt verbaasd om zich heen. Hij
ziet niemand. Misschien heeft hij het gedroomd dat hij iemand hoorde. Hij wil de
graankorrel weer op zijn rug sjorren. "Lieve mier, waarom neem je me eigenlijk
mee?" Tot zijn stomme verbazing merkt Maarten dat het de graankorrel is die
tegen hem praat. "Wil je weten waarom ik je meeneem?" vraagt Maarten. 'Snap je
dat dan niet. Wij hebben je nodig voor de winter. Ik breng je naar onze
voorraadkamer." "Ja maar..," zei de korrel ,"ik wil niet opgegeten worden. Ik
wil verder leven." "Dat kan wel zijn",zei Maarten, "maar alle korrels die
achterblijven op het veld zijn voor de dieren. Dat is altijd zo geweest."
"Luister", zei de graankorrel. "Ik doe je een voorstel. Als je mij hier laat
geef ik je volgend jaar honderd graankorrels voor je voorraadkamer." Ongelovig
kijkt Maarten de graankorrel aan. Honderd korrels in ruil voor één? Zou dat
kunnen? Stel je voor ! "Hoe weet ik dat je me niet voor de gek houdt?" vraagt
Maarten. "Dat moet je geloven", zegt de graankorrel."Het is een geheim. Doe nu
maar wat ik je zeg. Stop me onder de grond en kom volgend jaar terug." Het is te
proberen. Daarom graaft Maarten een kuiltje en stopt de graankorrel onder. Bij
de plek legt hij drie steentjes. Dan kan hij de graankorrel terugvinden.
Glimlachend gaat hij terug naar de andere mieren. "Er valt niets te lachen",
zeggen ze boos als Maarten zonder iets terug komt. "Moet je niet voor morgen
zorgen?" Maarten zegt niets. "Wacht maar", denkt hij." Ik heb straks meer
gespaard dan jullie allemaal bij elkaar." Elke dag gaat hij kijken, maar er
gebeurt niets. Het wordt winter. Het vriest, het sneeuwt. Er is niets te zien.
Maar dan wordt het lente. Het wordt elke dag een beetje warmer. En toen gebeurde
het. Bij de drie steentjes komt een groen sprietje uit de grond. Het is anders
dan hij verwachtte, maar Maarten voelt dat het het begin is van iets groots.
Liederen
Gij hebt uw vrienden eens bijeengeroepen (Hoop van alle volken, nr 83)
Breken en delen (De zon is al op, nr 57)