20 maart 2008
Witte Donderdag


Exegese
In de Goede Week staan opnieuw de symboolplaatsen “tuin”, “woestijn” en “berg” centraal.
Morgen zijn dat de “tuin” en de “berg”, vandaag de “woestijn”. In de Exoduslezing worden in de haast ongezuurd brood en bittere kruiden gegeten. De Israëlieten staan op de valreep van hun “woestijnervaring”: aan de ene kant een zware beproeving, aan de andere kant de bevrijding uit slavernij.
Voor de bereiding van brood werd meestal gerstemeel gebruikt, tarwemeel was een luxe. Het meel werd in een baktrog met water vermengd en tot deeg gekneed, waarbij zout en desem toegevoegd werd. De desem bleef achterwege bij bepaalde, vooral cultische gelegenheden. Het deeg werd met de hand tot dunne, ronde, vla-achtige koeken gevormd; daarna werd het gebakken. De gewone oven was de ook nu nog gebruikelijke ‘tannur’, een naar boven spits toelopende cylinder, soms gedeeltelijk in de grond ingemetseld, met van boven een opening voor de rook. Ofschoon er bakkers vban beroep waren, was het bereiden van het brood de taak van de vrouw des huizes of haar dienaressen en slavinnen. De ovens stonden in de binnenhof of ook op een afzonderlijke bakplaats; dan konden meerdere vrouwen dezelfde oven gebruiken. Soms gebruikte men geen oven, maar werd het brood gebakken op een stenen of ijzeren bakplaat, rustend op drie stenen, waaronder een vuur aangestoken werd, of nog eenvoudiger: doordat men het deeg ongezuurd op hete as legde of met hete as bedekte. De ronde gebakken broden werden op een stok geschoven of in manden bewaard. Het brood werd niet met een mes gesneden, maar maar met de handen gebroken (het ‘breken des broods’). Brood diende in de cultus: de toonbroden, het eerstelingenbrood, de offerbroden. Brood eten met iemand betekende: een maaltijd of feestmaal met iemand houden, vooral bij het sluiten van een verbond (Gen 31,54). Vandaar de uitdrukking ‘boord eten in het Rijk Gods’(Luc 14,15). In Joh. 6, 31 (en verder) noemt Jezus zich ‘het brood dat uit de hemel is neergedaald’, het ‘brood des levens’ en het ‘levend brood’.
De ongedesemde broden, zonder zuurdeeg, kwamen te pas, als men vlug brood moest bakken, bijvoorbeeld bij de komst van onverwachte gasten, of in de oogsttijd. Ze waren voorgeschreven voor alle offers waarbij brood gevoegd moest worden. Het ‘feest van de ongedesemde broden’ was een oud kanaänitisch feest dat door de Israëlieten werd overgenomen en met hun paasfeest verbonden. Bij het joodse paasfeest mogen gedurende een week alleen maar ongedesemde matzes worden gegeten. Het herinnert aan het vertrek uit de slavernij van Egypte, toen ze snel ongezuurde broden moesten bakken, omdat ze die op hun tocht langer goed zouden kunnen houden.
Het verbod, zuurdeeg en al wat gegist was in de cultus te gebruiken, gaat terug op de primitieve opvatting in de oudheid, die in gisting een bederfverschijnsel zag. Daarom kan zuurdeeg in overdrachtelijke zin ook een zedelijk verderfelijke invloed beteken. Paulus maant de christenen van Korinthe het oude zuurdeeg (alle slechtheid van het heidendom) uit hun gemeente te verwijderen en feest te vieren met de ongedesemde broden van reinheid en waarheid.

Verwerking
- In de viering van Witte donderdag kan een witte doek (voile) over de viertafel gedrapeerd worden, rondom een mandje witte viooltjes (nederigheid).

- Maak in de kindernevendienst met de kinderen figuren van brooddeeg of breng paasbroodjes mee in verschillende vormen en vertel over de rituele betekenis van brood.

- Laat ‘hosties’ zien en praat met de kinderen over de betekenis van het brood in de liturgie.

FEESTBROOD (uit: KLAP nr. 840, uitgave Missio, Den Haag)
Brood wordt gemaakt van graan. 4500 jaar voor Christus werd er in ons land voor het eerst graan verbouwd. In het begin van de jaartelling woonden de Romeinen in ons land. Zij hadden een godin die Ceres heette. Die godin werd uitgebeeld met een krans van korenaren om haar hoofd. Zij geeft ons brood te eten, zo vonden de Romeinen. Brood werd dan ook wel "gaven van Ceres" genoemd. Pas sinds de Middeleeuwen worden rogge en tarwe verbouwd, die ook nu nog voor de broodbereiding worden gebruikt.

Feest
Tarwebrood, volkorenbrood of wittebrood ken je natuurlijk wel. Je eet het elke dag. Maar weet je dat er ook speciaal brood is? Omdat het zo´n belangrijk voedingsmiddel was kreeg het een speciale betekenis bij belangrijke momenten in het leven. Zo werd in de Zaanstreek bij een geboorte beschuit met muisjes uitgereikt. Nu is dat overal nog een gebruik. In Twente werden als kado hele lange krentenbroden door de buurtgenoten naar de kraamvrouw gedragen. Ook bij een huwelijksmaal waren er op verschillende plaatsen tradities. Een gebruik in Limburg was het eten van geweekte brokken wittebrood. Die werden door de aanwezigen met een lepel uit een kom geschept.
Bij een kinderfeestje werden ook speciale broodjes gegeten: "profeetjes". Die hadden de vorm van een strikje.

Verhalen
In verhalen zorgde brood vaak voor nieuw leven. Zo is er het verhaal van St. Rochus. Hij verzorgde mensen die aan de pest leden. Een hele besmettelijke ziekte. Toen hij zelf besmet werd, werd hij weggejaagd door de mensen. Hongerig en dorstig bleef hij in het bos achter. Maar... opeens kwam een hond hem een brood brengen.
In weer een ander verhaal vroeg een vrouw aan haar buurvrouw een brood te leen. Die zei dat ze zelf maar een half brood had. Ze kon niets missen! Als ze toch meer had dan zou God dat meteen in steen mogen veranderen. Toen ze later in haar kast keek zag ze...drie stenen broden!

Pasen
Ook in bepaalde periodes van het jaar krijgt brood een speciale betekenis. Met Palmpasen, een week voor Pasen, bakte men voor de kinderen haantjes, zwanen of andere figuren van brooddeeg. Die werden versierd en op een stokje rondgedragen. Met Pasen werden er Paasbroden gebakken. De kinderen kregen paasmannetjes of paasvogeltjes. Broodjes die van wittebrooddeeg gevormd werden met in het midden een ei.
Op Witte Donderdag, de donderdag voor Pasen, kreeg brood wel een hele speciale betekenis. Op die dag herdenken we het Laatste Avondmaal van Jezus met zijn vrienden. Jezus vergeleek zichzelf met het brood dat hij uitdeelde. Net zoals brood wilde hij nieuw leven geven aan de mensen die dat nodig hadden. Na zijn dood moesten zijn vrienden daarmee doorgaan. Om daaraan te blijven denken moesten ze brood met elkaar blijven delen.

Hosties
In de christelijke kerk doen de mensen dat nu nog. Protestanten vieren enkele keren per jaar Avondmaal. In de katholieke kerk wordt elke week Eucharistie gevierd. Er worden dan "hosties" uitgedeeld. Kleine stukjes brood of koek die speciaal worden door de woorden van Jezus die uitgesproken worden. Vroeger waren de hosties van ongezuurd tarwemeel. Dat is meel zonder gist, zodat het niet rijst.

Matzes
Ook bij de feesten van de Joden neemt het brood een belangrijke plaats in. Bijvoorbeeld elke week op Sabbat: dat is zaterdag. Voor hen is dat een speciale rustdag is. Er worden dan "gallen" gegeten. Dat zijn gevlochten broodjes.
Bij het Sabbatmaal liggen twee gallen onder een mooi kleedje. De stukjes worden in zout gedoopt en verdeeld over de mensen die aan tafel zitten. Bij het Pesach-feest, het Joodse Paasfeest, moet al het voedsel dat door de gist gerezen is uit het huis verwijderd worden. Gedurende een week mogen alleen maar ongedesemde matzes worden gegeten. Dat zijn platte ronde paasbroden. Er worden gaatjes in geprikt om er zeker van te zijn dat ze niet kunnen rijzen. De Joden vieren dan dat ze lang geleden bevrijd werden uit de slavernij van Egypte. Vlak voor hun vertrek moesten ze snel van die ongezuurde broden bakken. Die zouden ze op hun tocht langer goed kunnen houden.

- Verhaal: De graankorrel en de mier (uit: KLAP nr. 840)
Mieren zijn echte verzamelaars. Ze leggen grote voorraden aan. Ze slepen zich een breuk. Ook Maarten de mier is druk bezig met het aanleggen van een wintervoorraad. Hij heeft een grote graankorrel op zijn rug. Eigenlijk is de graankorrel te groot voor Maarten. "Wat loop je te zeulen", hoort Maarten. Hij blijft staan. Hij legt de graankorrel neer en kijkt verbaasd om zich heen. Hij ziet niemand. Misschien heeft hij het gedroomd dat hij iemand hoorde. Hij wil de graankorrel weer op zijn rug sjorren. "Lieve mier, waarom neem je me eigenlijk mee?" Tot zijn stomme verbazing merkt Maarten dat het de graankorrel is die tegen hem praat. "Wil je weten waarom ik je meeneem?" vraagt Maarten. 'Snap je dat dan niet. Wij hebben je nodig voor de winter. Ik breng je naar onze voorraadkamer." "Ja maar..," zei de korrel ,"ik wil niet opgegeten worden. Ik wil verder leven." "Dat kan wel zijn",zei Maarten, "maar alle korrels die achterblijven op het veld zijn voor de dieren. Dat is altijd zo geweest." "Luister", zei de graankorrel. "Ik doe je een voorstel. Als je mij hier laat geef ik je volgend jaar honderd graankorrels voor je voorraadkamer." Ongelovig kijkt Maarten de graankorrel aan. Honderd korrels in ruil voor één? Zou dat kunnen? Stel je voor ! "Hoe weet ik dat je me niet voor de gek houdt?" vraagt Maarten. "Dat moet je geloven", zegt de graankorrel."Het is een geheim. Doe nu maar wat ik je zeg. Stop me onder de grond en kom volgend jaar terug." Het is te proberen. Daarom graaft Maarten een kuiltje en stopt de graankorrel onder. Bij de plek legt hij drie steentjes. Dan kan hij de graankorrel terugvinden. Glimlachend gaat hij terug naar de andere mieren. "Er valt niets te lachen", zeggen ze boos als Maarten zonder iets terug komt. "Moet je niet voor morgen zorgen?" Maarten zegt niets. "Wacht maar", denkt hij." Ik heb straks meer gespaard dan jullie allemaal bij elkaar." Elke dag gaat hij kijken, maar er gebeurt niets. Het wordt winter. Het vriest, het sneeuwt. Er is niets te zien. Maar dan wordt het lente. Het wordt elke dag een beetje warmer. En toen gebeurde het. Bij de drie steentjes komt een groen sprietje uit de grond. Het is anders dan hij verwachtte, maar Maarten voelt dat het het begin is van iets groots.

Liederen
Gij hebt uw vrienden eens bijeengeroepen (Hoop van alle volken, nr 83)
Breken en delen (De zon is al op, nr 57)