LET OP: Wilt u een e-mail ontvangen
wanneer er nieuw materiaal is? Klik dan hier en vul
het formulier in.
16 maart 2008
Palmzondag
Vertelling van het evangelie
Een ezeltje
Enkele mannen zijn bezig een klein ezeltje dat bij een huis staat vastgebonden,
los te maken. Dan komen er mensen uit het huis. Als ze zien wat er gebeurt,
roepen ze: "Hee, wat moet dat daar? Waarom maken jullie dat veulen los?" De
mannen zeggen rustig: "Het is voor Jezus. Hij heeft het nodig." Dat schijnt in
orde te zijn. De mannen nemen het ezeltje mee. Een eindje verderop blijven de
mannen staan bij een groepje mensen. Ze trekken hun jassen uit en leggen die op
de rug van het ezeltje. Er klimt iemand op de rug van het ezeltje. De man die
erop gaat zitten is vast Jezus. Het ezeltje laat het gewoon toe.
De mannen leggen ook nog jassen op de weg. Daar moet het ezeltje overheen lopen.
Het is net of er een loper uitgerold wordt voor een belangrijk persoon. De
mannen zijn op weg naar Jeruzalem. Het is druk onderweg. Er zijn veel mensen op
weg naar de stad. Binnenkort is het feest. Elk jaar weer komen veel mensen naar
Jeruzalem om daar het paasfeest te vieren. Onderweg zien we ook veel Romeinse
soldaten. Die moeten er voor zorgen dat het rustig blijft tijdens de feestdagen.
Een mooie stad is Jeruzalem. De stad is gebouwd op zeven heuvels. De tempel met
het grote plein ervoor is goed te zien, zo van boven af.

Zingende mensen
De mannen komen bij de Olijfberg. Daar beginnen ze te zingen. Ze zien er blij
uit. "Gezegend de Koning, die komt in de Naam van de Heer; vrede in de hemel."
Die man op dat ezeltje is een koning. De koningen van Israël rijden nooit op een
paard, maar altijd op een ezel. Jezus rijdt de stad binnen en steeds meer mensen
doen enthousiast mee. Is hij de Messias, de koning van de vrede, waar ze al zo
lang op wachten?
Jezus wordt tegengehouden. Het zijn gelukkig geen soldaten, maar belangrijke
mannen, farizeeërs. Zouden ze het er niet mee eens zijn, dat Jezus als een
koning van de vrede binnenrijdt? Ze staan druk te gebaren en te praten met Jezus
op het ezeltje. "Meester", zeggen ze, "zeg tegen uw vrienden dat ze hun mond
moeten houden." Jezus schudt zijn hoofd. "Ach", zegt hij. "Als deze mensen het
niet zeggen, roepen de stenen het wel."
De koning huilt
Ze rijden verder. Langzaam dalen ze de berg af. Ze komen steeds dichter bij de
stad.
Op een plek waar je een mooi uitzicht hebt over de stad. Dan zegt Jezus: "Och
mensen van Jeruzalem. Het zal niet goed met jullie aflopen. De vijand zal de
stad omsingelen en geen steen zal op de andere gelaten worden. De stad zal
verwoest worden. Konden jullie maar zien dat God naar jullie omkijkt. Wisten
jullie maar hoeveel God om jullie geeft."
Ze dalen de berg af. Ze rijden naar de tempel. Al van ver hoor je het geroep van
de kooplieden. "Hier moet je zijn. Verse duiven en lammetjes te koop! Hier kan
je je Romeinse geld wisselen voor tempelgeld. Hier moet je wezen. Hier moet je
zijn."
Jezus stapt van zijn ezeltje af. Hij loopt het grote tempelplein op. Hij ziet er
boos uit. Hij loopt naar het eerste het beste kraampje en gooit het met een ruk
ondersteboven. Het geld rolt over de grond. Ook het volgende kraampje gaat
eraan. Jezus gooit alles ondersteboven. "Weg jullie", schreeuwt hij tegen de
kooplui. "Het huis van God moet een plek zijn om te bidden, niet om handel te
drijven. Jullie hebben van het huis van God een rovershol gemaakt. Eruit!!"
Jezus was kwaad. De Romeinse politie heeft alles gezien. Maar ze durven hem niet
gevangen te nemen. “Met al die mensen erbij komen er maar relletjes van”, zegt
de hoofdman. Jezus gaat met zijn vrienden de stad uit naar een plaats waar het
rustig is: een grote boomgaard met olijfbomen. Daar kan Hij rustig nadenken over
wat er gaat komen.
Exegese
“Hosanna”, “red ons”, riepen de mensen toen Jezus op zijn ezeltje Jeruzalem
binnenreed. Een gevaarlijke kreet in de dagen waarin de Romeinen Israël bezet
hadden. In hun ogen was Jezus een opstandelingenleider die zo snel mogelijk uit
de weg geruimd diende te worden. Ook de mensen die “Hosanna” riepen, liepen het
gevaar aangeklaagd te worden. Het lijkt zo onschuldig: Jezus die als een
vredevorst op een ezeltje de stad binnenrijdt. Maar de mensen zien in Jezus hun
koning, die hen komt bevrijden uit de macht van de Romeinen. Jezus heeft echter
een verdergaande bevrijding op het oog. Omdat Hij geen aardse koning wilde zijn
die veel macht had, ‘hoog te paard’, maar een koning van vrede die dicht bij de
mensen stond, gebruikte hij een eenvoudig lastdier, de ezel.
Palmpasen is een vermenging van oude vruchtbaarheidsfeesten en christelijke
symboliek. Traditioneel is er een palmpaasoptocht van kinderen, een overblijfsel
van de heidense lente-optochten en de palmprocessie. De lenteoptocht was een
rondgang door de velden – liefst bij volle maan – ter ere van de lentegodin. Men
maakte hiervoor een stok, versierd met takken die altijd groen blijven,
buxustakjes of dennengroen. Vaak werden kransen aan de stok gehangen als symbool
van de eeuwigdurende kringloop van het jaar, van leven en dood. De eieren die
men eraan hangt zijn symbolisch voor het nieuwe leven. Boven op de stok wordt
een haantje van brooddeeg gezet, want de haan is het dier dat het dichtste bij
de zon leeft: hij kraait als de zon opkomt. Het brooddeeg, waarvan het haantje
is gemaakt, bestaat uit graan. En in graan zit weer de groeikracht, de kiem van
nieuw leven.
De palmprocessie werd het eerst in Jeruzalem gehouden. Een non uit de Provence,
die in de 4e eeuw een pelgrimstocht maakte naar het Heilige Land, vertelt erover
in haar dagboek. De gelovigen kwamen op de Olijfberg te samen en geleiden
vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen palm-
of olijftakken. Van Jeruzalem uit verbreidde het gebruik zich over het westen.
In de middeleeuwen hield iedere stad één gezamenlijke processie. Er werd een
‘palm-ezel’ meegevoerd. Eerst was het een levende ezel, maar later werd het,
omdat zo’n ezel erg koppig en weerbarstig kan zijn, een ezel van hout. Ook de
berijder, Christus, aanvankelijk door een hoge geestelijke voorgesteld, werd
later in hout uitgebeeld. Eerst gedragen op de schouders, later op wielen
voortgetrokken. De oude gebruiken gaan langzaam over van volwassenen naar
kinderen, die aanvankelijk ’s middags nabootsten wat ze ’s morgens hadden
gezien.
Palmpasen heeft ook elementen van het joodse Loofhuttenfeest in zich, een
oogstfeest en herinnering aan het 40-jarig verblijf van het joodse volk in de
woestijn.
Bij het feest hoort een plantenbundel, de loelav, deze symboliseert de vreugde
van het feest. Loelav betekent palmtak. Die is groen en het grootst. Daarnaast
drie geurende mirtetakken en twee wilgentakjes. En er is nog de etrog, een
vrucht die lijkt op een citroen en heerlijk ruikt. Er wordt gebeden en met de
loelav naar alle richtingen gezwaaid en vervolgens naar boven en beneden, als
erkenning van Gods heerschappij.
De zevende en laatste dag van het Loofhuttenfeest heet Hosjana Rabba, het Grote Hosjana. Dan loopt men zeven keer rond de verhoging in de synagoge waarop de
Torarol ligt en roept men vele malen Hosjana. Hosjana betekent ‘Help toch!’

Suggesties bij het Bijbelverhaal
- Wanneer het de gewoonte is om palmpaasstokken te versieren zou je daarvoor met de kinderen deze keer buxusringen kunnen maken die rond het centrum van het kruis kunnen hangen.Verzamel buxustakjes, of ander groen zoals klimop, maagdenpalm, en varens en maak met dun ijzerdraad een krans rond een metalen ring. Voor het kruis op de viertafel wordt een grotere krans gemaakt, liefst van buigzaam dik elektriciteitsdraad, om het later nog om te kunnen buigen. De groene krans verwijst naar de overwinning, naar het leven dat doorgaat.
Liederen
Op Palmzondag (Zing het woord nr 11, uitgave Ploegsma)
Stad ben jij, Jeruzalem (Zingen in vieren nr 62)
Palmpasen (Alles wordt nieuw, deel 1, nr 25)
Ballade van de ezel (Alles wordt nieuw, deel 3, nr 21)
Hosanna (Zingen van het leven, uitgave Kok)