LET OP: Wilt u een e-mail ontvangen
wanneer er nieuw materiaal is? Klik dan hier en vul
het formulier in.
24 februari 2008
3e zondag Veertigdagentijd
Lezingen:
Ex 17, 3-7
Rom 5, 1-2 + 5-8
Joh 4, 5-42
Vertelling van het evangelie
Een bron van verbazing - (naar Joh 4, 1-43)
Ik doe het meestal 's middags, weet je, water halen. Als ik 's morgens naar de
bron van Jacob ga, dan zijn daar al die vrouwen. Ze kletsen al over me als ze me
in de verte aan zien komen, en als ik er dan ben wordt het ‘toevallig’
plotseling heel stil. Soms hoor ik ze gniffelen achter mijn rug en een enkele
keer vragen ze me recht in mijn gezicht op welke man ik nu weer verliefd ben.
Ach, ik weet dat ik anders ben dan zij, en ook dat ik al zoveel mensen heb
teleurgesteld… Gelukkig zijn er 's middags alleen een paar verdwaalde herders
bij de bron, of een paar kinderen die er zitten te spelen. Dan kan ik tenminste
rustig mijn water putten.
Vreemdeling
Maar wat ik eergisteren toch heb meegemaakt… Toen ik aan kwam lopen zat er een
man bij de bron. Het leek wel alsof hij op me zat te wachten. Het was een joodse
man, zo te zien. Ik dacht dat hij me wel niet zou moeten, want ik ben een
Samaritaanse, en joden hebben de pest aan Samaritanen. Daarom vond ik het wel
gek dat hij meteen aan me vroeg of ik wat water voor hem wilde putten. Hij had
dorst, zei hij. "Wat gek dat jij als jood water vraagt aan mij, een
Samaritaanse", zei ik tegen hem.
"Je had ook aan mij water kunnen vragen", zei hij. "Water dat door God is
gegeven. Levend water, dat je nieuw maakt van binnen." Ik snapte er niks meer
van. Waar had die man het eigenlijk over? "Waar wou je eigenlijk water vandaan
halen, je hebt niet eens een emmer en de put is diep", zei ik, want ik wou hem
een toontje lager laten zingen.
Opborrelen
Maar hij keek me aan en zei: "Iedereen die het water uit de put drinkt, krijgt
weer dorst; maar van het water dat ik je zal geven, krijg je nooit meer dorst,
het zal in je opborrelen als een bron." "Geef mij maar wat van dat water", zei
ik een beetje kribbig, "dan hoef ik tenminste niet telkens met die zware kruik
te sjouwen." "Ga je man maar halen", antwoordde de vreemdeling. "Ik heb geen
man", zei ik zachtjes.
"Dat is waar", zei de vreemdeling, "want de man waar je nu mee samen bent, is
niet van jou, en hiervoor heb je al vijf andere mannen gehad." "Maar meneer, u
bent een echte profeet", riep ik verbaasd. "U lijkt wel de Messias, de nieuwe
koning waarop wij wachten!" "Dat ben ik ook", zei hij simpel.
Verbaasd
Op dat moment kwamen er een stel mannen aanlopen. "Jezus, we hebben wat te eten
gehaald", riepen ze al uit de verte. Jezus, zo heette de vreemdeling dus. Ik was
zo verbaasd dat hij wist wat er met me aan de hand was. En ook wel over wat hij
zei over dat water. Zou dat echt water zijn? Misschien bedoelt hij wel iets heel
anders. Hij kan zulke wijze dingen zeggen.
Ik heb aan iedereen die ik tegenkwam verteld wat er was gebeurd. Eerst wilden ze
me niet geloven. "Hij is echt de Messias", zei ik. Maar ze keken al net zo
verbaasd als ik. Toch zijn er nog wat mensen gaan kijken. Jezus heeft ook met
hen gepraat, en daarna geloofden ze me wel. "Toen jij het zei, geloofden we je
niet meteen, maar nu weten we het zeker”, zei een van de herders die wel eens
bij de bron zitten. "Hij is echt de man die de wereld gaat redden."
Exegese
De put, een bron, water. Iets heel speciaals in klassieke gemeenschappen en oude
tradities. Een plek die van groot belang was voor het leven in die gemeenschap.
Zonder water is er, zeker in de vaak verzengende hitte van het Midden-Oosten,
weinig (menselijk) leven mogelijk. Het is daarom een waardevolle plaats. Een
centraal verzamelpunt waar leden van de gemeenschap, mannen maar vooral vrouwen,
samenkomen om hun watervoorraad aan te vullen. Omdat de bron altijd buiten de
stadsmuren lag, was het voor de stedelijke bevolking van belang om te allen
tijde, ook tijdens een beleg, vrije toegang tot de bron te hebben.
Daarom werden vanuit de stad onderaardse gangen aangelegd. In Jeruzalem werd
bovendien door een onderaardse tunnel het water van een bron binnen de
stadsmuren geleid. In het Oude Testament worden vele bronnen genoemd. Vaak
werden nederzettingen genoemd naar een naburige bron.
Naast de bronnen waren er ook de meer kunstmatig aangelegde waterputten. Het
regenwater, dat slechts enkele maanden per jaar viel, werd bewaard in
regenputten. Als de natuur niet een of andere rotsholte ter beschikking stelde,
die zonder veel moeite tot een geschikte vergaarbak van water kon worden
omgevormd, dan moest de regenput moeizaam in de rotsgrond worden uitgehouwen. De
regenputten hadden een nauwe opening en verbreedden zich naar de diepte. Op die
wijze kon men veel water verzamelen en het ook koel bewaren. Behalve regenputten
werden ook welputten aangelegd, waarmee men het grondwater bereikte. Men moest
soms zeer diep gaan om het welwater in overvloed ter beschikking te hebben.
Omdat er ook putten zijn die door grondwater gevoed worden, worden de hebreeuwse
termen “beër” (put) en “ajin” (bron) soms door elkaar gebruikt. Putten konden
meer dan 20 m diep zijn; de opening werd door een platte steen afgedekt. De
putten moesten worden afgesloten om te voorkomen, dat mens of dier er in zou
vallen. Mocht een dier door het vallen in een put verongelukken, dan moest de
eigenaar van de put het dier vergoeden. , maar kon het dier behouden. Putten met
grote opening, zoals bij welputten kon voorkomen, moest men open laten of met
lichter materiaal, zoals hout, toedekken.
“Levend water”, water uit een bron, werd boven putwater gesteld. Water halen
voor huishoudelijk gebruik was de taak van vrouwen en meisjes. “Put” werd daarom
ook wel in overdrachtelijke zin gebruikt voor “liefde” en “echtgenote”.
De bron was een ontmoetingsplaats bij uitstek. Een mooie gelegenheid om
nieuwtjes uit te wisselen en contacten te leggen. Belangrijke ontmoetingen uit
het Oude Testament vinden plaats bij de bron: Isaak en Rebekka, Jakob en Rachel,
Mozes en Sippora.
Er is sprake van een dubbele symboliek. Allereerst die van het water. Oeroud
symbool voor “leven geven”, voor “nieuw leven”. Maar ook die van “de bron”,
symbool voor het ultieme begin, het ontstaan van iets belangrijks. In het
evangelie van vandaag: het begin van de religieuze traditie. De vrouw keert
terug bij de bron, bij de wortels van haar traditie. Ze maakt daar ook melding
van: ze verhaalt van haar voorvader Jakob, die hun deze bron bezorgd had, de
oorsprong van haar manier van leven. Maar Jezus geeft de vrouw ook een aanzet om
niet bij de bron te blijven. Haar ogen worden geopend voor een vernieuwing van
die traditie. Het Hebreeuwse “ajin” betekent behalve “bron” ook “oog”.
Jezus begeeft zich “in vreemd gebied” waar het de joodse traditie betreft. De
Samaritanen nemen het immers niet zo nauw met de religieuze wetten. De vrouw
krijgt dat ook van Jezus te horen: vijf mannen heeft ze gehad, maar nu heeft ze
er geen. De vijf mannen vertegenwoordigen de joodse wet: de vijf boeken van
Mozes. Door het afstand nemen daarvan heeft ze zich van haar eigen religieuze
erfgoed verwijderd. In het gesprek met Jezus komt ze tot dat inzicht. Er lijkt
eerst een misverstand te bestaan. De vrouw denkt dat Jezus het over gewoon water
heeft, terwijl die “levend water” bedoelt, symbolisch voor het nieuwe leven dat
Jezus brengt. Maar als Jezus over haar leven spreekt, dan gaan haar de ogen
open. Ze ontmoet in Jezus iemand die haar terugbrengt bij “haar bron”, maar die
haar ook accepteert als Samaritaanse, als vreemdeling. Jezus kijkt over grenzen
heen en brengt de vrouw tot nieuw inzicht; ze gaat op een andere manier kijken.
Dat blijkt als Jezus haar het “levend water” aanbiedt: “Geef mij van dat water,
Heer. Dan krijg ik geen dorst meer en hoef ik hier niet te komen putten”.
Gesprek
Water is voor mensen heel belangrijk. Zonder water kunnen we niet leven. Kunnen
de kinderen vertellen waarvoor we water allemaal gebruiken? Wij hebben thuis een
kraan waar we water uit kunnen halen. Dat is niet overal zo. In arme landen
moeten vrouwen en kinderen soms urenlang lopen naar een waterput of bron om
water te halen. Ze dragen het water dan op hun hoofd terug naar hun dorp. Het
volgende verhaal gaat over zo’n dorp.
KLIK
HIER VOOR DE KLEURPLATEN
Verhaal: Bron in BawkuIn Afrika geeft de bron water om te leven, maar bij de bron vertel je elkaar ook verhalen. Veronica vindt het fijn dat jullie luisteren naar haar verhaal. Veronica (11 jaar) en haar broertje Alexander (6 jaar) wonen in Bawku, een klein plaatsje in Noord-Ghana. Haar familie hoort bij de Kusasi, één van de vijftig verschillende volkeren daar. Ghana ligt in de tropen. Er zijn geen seizoenen zoals bij ons. Wel een droge tijd en een regentijd. Van mei tot september regent het er flink. In de andere maanden is het droog en warm. De Kusasi wonen in eenvoudige huizen van leem. Die staan in een kring rond een compound, een binnenplaats. De lemen muren hebben mooie versieringen. De huizen zijn rond met een rieten puntdak. ![]() Omdat het er warm is leven de mensen buiten, op de lemen verhogingen op het woonerf. Stoelen en tafels hadden de Kusasi vroeger niet. Maar nu hebben de meeste Kusasi wel wat eenvoudige meubels. Veronica staat om 6 uur ’s morgens op. Eerst gaat ze water halen voor mama. Op het erf kiept ze het water in een grote ton. Water is voor de Kusasi heel belangrijk. Water om te drinken, te wassen en te koken. Maar in het noorden is het heel droog, een beetje woestijn. Vroeger stonden hier bomen. Maar die zijn gekapt voor het hout. Of verbrand om de dieren het bos uit te jagen, zodat er vlees te eten is. Soms moeten de Kusasi heel diep graven naar water. “Gelukkig is er bij ons in de buurt wel een waterpomp”, zegt Veronica. “Zo’n tien minuten lopen van ons huis. Water halen is vooral het werk van de vrouwen. Bij de pomp is het gezellig druk: je hoort er de laatste nieuwtjes.
En dan weer de weg terug met een volle emmer of bak op je hoofd.” Na de markt is er tijd om te spelen. Alexander gaat spelen met de auto’s van blik en van hout. Die hebben hij en zijn vriendjes zelf gemaakt.Alexander vindt het leuk om met andere kinderen een wedstrijdje te doen: wie het hardste kan rennen met een oude fietsband of autoband. “Ik help mijn moeder met het klaarmaken van de tiset”, zegt Veronica. “Dat is ons belangrijkste voedsel, net als aardappelen bij jullie. Tiset wordt gemaakt van millet, dat zijn graankorreltjes.” Alexander helpt met het stampen van de millet. Na het eten helpt Veronica mama met het afwassen van de kalebassen en de schaaltjes. “Ik help ook mee met afwassen”, zegt Alexander. Koeien zijn belangrijk voor de Kusasi. Hoe meer koeien je hebt, hoe beter het met je gaat. Als een jongen met een meisje wil trouwen moet hij een paar koeien betalen als bruidsschat. De Kusasi houden ook kleinvee: geiten en kippen. De dieren lopen overdag vrij rond. Kleine jongens, zoals Alexander, houden dan een oogje in het zeil. ’s Avond moeten de dieren naar hun nachtverblijf. Op het woonerf hebben ze hutten die er net zo uitzien als die van de mensen!
Klik hier voor meer materiaal: Catechetisch schoolproject Ghana |
| Verhaal In het Bijbelverhaal ontmoet Jezus een Samaritaanse vrouw. In die tijd wilden de Joden met Samaritanen vaak niks te maken hebben. Ze hoorden er niet echt bij. Maar Jezus vroeg aan een Samaritaanse vrouw om drinken. Voor hem hoorde ze er wel bij. Ook bij ons zijn er soms kinderen die er niet bij mogen horen. Gelukkig zijn er ook kinderen die voor hen opkomen, net als Jezus deed. Zoals in het volgende verhaal. Roland Roland was acht jaar. Hij was dik. "Dikzak" noemden sommige kinderen hem. Roland zei niks terug. We lachten hem altijd uit. Het ergste was het als we gymles hadden. Roland kon namelijk niet hard rennen. En klimmen kon hij al helemaal niet. Dan klunsde hij verschrikkelijk en iedereen lachte hem uit. Aan het einde van de les hielden we steeds een wedstrijdje. We werden dan in twee groepen verdeeld. Twee kinderen mochten om beurten hun ploeggenoten uitkiezen. Roland werd steevast als laatste gekozen. De groep waarin hij terecht kwam steunde en klaagde. Met Roland als loper had je meteen al verloren. Roland bakte er gewoon niks van. Afgelopen donderdag was het weer eens zover. Dit keer mochten twee meisjes de groepen uitkiezen, Hanna en ik. We kozen onze groepjes. Hanna koos als eerste Kai, de snelste van de klas. Maar op het eind waren onze groepjes ongeveer even sterk. Alleen Sonja en Roland bleven nog over. Hanna was aan de beurt om te kiezen en natuurlijk bleef ik zitten met Roland. De anderen in mijn groep mokten: “Met die dikzak verliezen we sowieso. Het heeft niet eens zin om te beginnen.” Bij Roland stonden de tranen in zijn ogen. Roland zei niets. Hij stond er maar een beetje bij. En opeens had ik medelijden met hem. “Laat hem toch met rust”, siste ik tegen de anderen. “Die zal zeker hard rennen. Hij doet zijn best!” Roland keek me aan, hij had waarschijnlijk verwacht, dat ik hem ook zou uitjoelen. Toen knikte hij: “Ik ren zo hard als ik kan. Ik ga er voor.” En dat deed hij ook. Toen hij aan de beurt was, gingen de twee groepen ongeveer gelijk op. Hij en Sonja waren was de laatste lopers. Roland ging strompelend en struikelend van start. Sonja, naast hem, lachte hem uit. “Rennen”, schreeuwde ik, “Roland, je kunt het! Rennen, jij gaat winnen.” De anderen uit mijn groep moedigden hem nu ook aan. Roland stoof vooruit, zo snel als nog nooit iemand hem meegemaakt had. Je kon zien dat hij alles op alles zette, dat hij dit keer tot de laatste snik wilde doorgaan. We hoorden hem hijgen en we zagen hoe hij zijn lijf naar voren duwde, zijn benen konden het nauwelijks bijbenen. Maar hij hield Sonja bij. Die was verbluft en lachte niet meer. Roland hield vol, hij verslapte niet. “Rennen, Roland, je haalt het!”, riep ik weer. En hij haalde het. Hij ging maar een haartje vóór Sonja over de eindstreep, maar dat was genoeg voor de overwinning van onze groep. Roland viel op de grond. Zijn mond wijd opengesperd, hikte en hijgde hij, buiten adem. Kai stond naast hem: ”Dat had ik nooit verwacht”, zei hij verbluft. “Maar ik wel”, bemoeide ik me ermee, “Ik heb er meteen in geloofd dat Roland het zou kunnen.” Ik keek Roland aan. Hij straalde van geluk. |
Gedicht: Alfred
Verloren staat hij bij de muur
Hij speelt niet mee, het speelkwartier
Lijkt wel een uur, ze zeggen nee
Geen vriendje heeft hij in de klas
Hij wordt gesard, ze schelden
Trekken aan zijn jas, of slaan heel hard
Nu duwen ze hem voor zich uit
Totdat hij valt, hij houdt zich sterk
Geeft geen geluid, zijn vuist gebald
Hij wil wel slaan, de bel, ’t is tijd
Nog een geluk, maar morgen
Zal hij er weer staan, verschrikkelijk
(uit: ‘Ben ik dat’ van Frank Eerhart)
Gebed
Dank U wel , God,
dat er mensen zijn,
die vertellen, dat U een God
voor iedereen wilt zijn.
Dat U van alle mensen houdt,
wie ze ook zijn en waar ze ook wonen.
Wij bidden voor mensen
die ziek zijn.
Wij bidden niet om wonderen,
maar dat zij voelen dat U er voor hen bent.
Wij bidden voor allen die omgaan met zieken;
mensen die helpen en verzorgen.
Wij danken U voor alle woorden
van troost en gebaren van liefde.
Gebed
Lieve God, ik zeg het eerlijk tegen u
dat ik me wel eens beter voel
dan een ander.
Ik ben blij dat ik goed ben in sommige dingen.
Leer mij te zien dat ik dat van u
gekregen heb.
Leer mij een ander te zien
als een kind van u,
die u even waardevol vindt.
Voor u telt iedereen mee.
Dank u daarvoor,
Amen
Liederen
Weg met de kruik die jij bij je draagt! (Hoop van alle volken, nr 41)
Litanie bij de vier elementen (De zon is al op, nr 12)
Heel ons leven, koningskind (De zon is al op, nr 48)
Bron van leven (Zing adem zing)
Zomaar te gaan (Alles wordt nieuw, deel 2, nr 6)