10 februari 2008
1e zondag Veertigdagentijd
Lezingen:
Gen 2, 7-9 + 3, 1-7
Rom 5, 12-19
Mt 4, 1-11
Exegese
Elke veertigdagentijd begint met het verhaal van de bekoring van Jezus in de
woestijn. Jezus vast veertig dagen en nachten. Woestijn en het getal veertig
zijn nauw met elkaar verbonden. De woestijntocht onder leiding van Mozes duurde
veertig jaar. Het getal veertig is symbolisch voor een mensenleven. Een
woestijntijd is een tijd van bezinning en heroriëntatie. Tegelijk is het een
verwijzing naar de tocht door de woestijn die de Israëlieten moesten maken op
weg naar het beloofde land.
De woestijnen in het gebied van Palestina zijn bijna nergens zandwoestijnen,
maar kalksteengebergten, waar het alleen aan de nodige neerslag ontbreekt om tot
een rijkere vegetatie te komen. De vegetatie, tamarisk, doornstruiken en gras,
is daarom bijna uitsluitend afhankelijk van de dauw. De woestijnbewoners zijn
nomaden. Voor de bijbelse auteurs, die in het cultuurland wonen, is de woestijn
een mensenarme, verlaten, wildernis, een dor land, onveilig en bewoond door
geesten. De gevaren van de woestijn (honger, dorst, slangen en wilde ezels) zijn
stof voor menig verhaal, met name in het verslag van de woestijntocht van de
Israëlieten.
Al bij de profeten wordt de woestijn gezien als middel tot bekering en
loutering. Het is een ideale tijd waarin Jahweh zijn kudde leidde door het land
van droogte. Zo is de woestijn een beeld van de bevrijding van Israël uit de
ballingschap, maar ook een beeld van de situatie waarin het volk terecht komt
als zij, in aanraking gekomen met de sedentaire cultuur, zich weer laat
verleiden door de overdaad en de vruchtbaarheidscultus. Het volk wordt door de
profeten voorgehouden dat het ook uit die woestijn zal komen als het zijn
vertrouwen stelt op Jahweh: Hij zal een weg banen door de woestijn en opnieuw
water uit de rotsen doen ontspringen om de dorst van zijn volk te lessen.
In het verhaal van Jezus in de woestijn worden de keuzen van Jezus ook
duidelijk. Jezus kiest niet voor de overdaad, de roem en macht in het
stadsleven. Jezus kiest voor de “woestijn”: hij gaat aan de kant staan van de
uitgestotenen, van de minsten. Van de mensen die de dorheid van het bestaan
moeten ondergaan. Voor en met hen wil Hij de “weg” zijn door die woestijn.
De “paradijstuin” is het beeld voor de plaats waar die manier van leven ons naar
toe kan leiden. Een plaats waar harmonie is en waar de mensen elkaar zonder
schaamte en zonder onderscheid tegemoettreden. Het beeld van de paradijstuin is
ontstaan bij de Israëlieten die zich na de woestijntocht in het beloofde land
hadden gevestigd. Het waren landbouwers die merkten dat zij in het “land van
melk en honing” toch hard moesten ploeteren voor hun dagelijkse bestaan. Dat kon
zo niet altijd geweest zijn, God kon dat niet willen. De landbouwers vormden de
“paradijstuin” als beeld voor het einde der tijden, waarin het weer zou worden
zoals het eens geweest was.
Verwerking
Suggestie 1:
‘De woestijn zal bloeien’
Maak een zandtafel die symbolisch de woestijn voorstelt.
Benodigdheden: Een tafel, een bak met een opstaande rand, emmers met zand en
schepbusjes, grote kiezels
Zet de tafel met de bak erop (een zandtafel) voorin de kerk.
De bedoeling is dat de woestijn steeds meer tot leven zal komen. Op Pasen staat
hij helemaal in bloei. Er wordt aangesloten bij de lezingen.
Woestijn: Van God en mens verlaten
Wie ben je?
Wat wil je?
Waar kies je voor?
Welke kant ga je op?
De kinderen scheppen zand in de bak vanuit de emmers en leggen kiezels in de
woestijn
Suggestie 2:
Op een viertafel die tegen een muur staat in de kerkruimte, sober ingericht met
een paars kleed als ondergrond, komt het kruis te staan. Er wordt een cirkel,
waarop ook een kruis getekend is, op de achterliggende muur bevestigd. Het
middelpunt van het kruis op de cirkel hangt op dezelfde hoogte als het
middelpunt van het kruis op de viertafel, zodat het een schaduweffect geeft.
Pasen is een keerpunt. Dan wordt de cirkel omgedraaid en omstraalt de gouden zon
het kruis.
Als er gewerkt wordt rond de thematiek ‘regenboog’ kan de rand van de cirkel met
een regenboog gekleurd zijn.
In het midden zijn de contouren van het kruis getekend waardoor vier vlakken
ontstaan. De volgende vier zondagen wordt steeds een vlak opgevuld met een
kartonnen kwartcirkel van dezelfde afmeting, waaraan gewerkt is met de kinderen.
We beginnen linksonder, daarna rechtsboven, linksboven en tenslotte rechtsonder.
Suggestie 3:
We creëren gedurende de veertigdagentijd op verschillende plaatsen in de kerk
“plaatsen van heil”: woestijn, bron, berg, graf, tuin.
We lezen teksten, gebeden bij de betreffende plaats. We actualiseren de
ontmoetingsplaatsen van toen, deze zondag ‘de woestijn’: welke
“woestijnervaring” hebben mensen nu. Bij de voorbereiding kunnen enkele mensen
gevraagd worden iets van hun moeilijke levensmomenten te vertellen en hoe zij
daarmee zijn omgegaan. Hen kan gevraagd worden of ze in staat zijn en bereid om
iets van deze ervaring in de viering te delen met de geloofsgemeenschap.
Liederen
Jezus, diep in de woestijn (Alles wordt nieuw, deel III, nr. 7)
De woestijn (Hemel en aarde, blz. 41)
Jezus in de woestijn (idem, blz. 42)
Hé (Jouw wereld, mijn wereld, blz 22)
De tuin van God (Jouw wereld, mijn wereld blz 54)
Kom mens kom in de woestijn (De zon is al op, lied 3)