Op een zomeravond liep eekhoorn door het bos. Bij de vijver zat kikker. “Hallo”, zei eekhoorn. “Wat zit jij naar boven te kijken?” Hij ging naast kikker zitten en tuurde ook de lucht in. “Zie je niet, dat ik lees?”, zei kikker, “je stoort me.” “O”, zei eekhoorn, “neem me niet kwalijk. Maar…ik zie geen boek.” “Ik lees in de sterren”, zei kikker plechtig. Pas nu zag eekhoorn de sterren ook. “Is het spannend?”, vroeg hij. “Reuze spannend”, beaamde kikker. “Wil je mij ook leren lezen?”, vroeg eekhoorn. Pas nu keek kikker eekhoorn aan. “Ik weet niet of ik dat wil”, zei hij. “Waarschijnlijk is het niets voor eekhoorns.” Eekhoorn stond op. “Dan ga ik maar, dan kan jij verder lezen. Misschien vertel je me nog wel eens wat er staat in de sterren.” “Misschien”, zei kikker dromerig. “Waar ga je naar toe?”
“Ik ga een strandwandeling maken. Misschien is mijn vriend de zeester thuis. Die heb ik lang niet gezien”, zei eekhoorn. “Hij heeft van die lekkere zoute thee.” “Wat zou je er van vinden als ik meeging?”, vroeg kikker, “ik lees morgen wel verder.” Samen liepen ze zwijgend door de donkere nacht.

Opeens bleef eekhoorn staan. “Gaan we eigenlijk wel de goede kant op?”, vroeg hij terwijl hij om zich heen keek. “Zal ik in een boom klimmen om te kijken?”. “Hoeft niet”, zei kikker. “De sterren wijzen de weg. Die kant op.” Eekhoorn rende achter kikker aan, die met grote sprongen vooruit liep. “Stop eens even”, riep eekhoorn, “ik weet dat je een ster bent in hoogspringen, maar ik kan je niet bijhouden. Ik bedenk me trouwens net dat we wat vergeten zijn. Je moet toch altijd iets meebrengen als je op visite gaat en ik heb niets bij me voor zeester. Zelfs geen beukennootjestaart.”
In de verte hoorden ze de zee al ruisen. Samen gingen ze zitten met hun rug tegen een scheefgewaaide dennenboom. Opeens riep kikker: “Een ster, natuurlijk, een ster voor een zeester.” Met een reuzensprong plukte kikker een ster uit de lucht en legde hem voor de verbaasde eekhoorn op de grond. “Nog één?”, vroeg kikker. Eekhoorn straalde van plezier. “Kom we gaan.” Allebei namen ze een ster in de hand en voorzichtig om hem niet te breken, liepen ze door het mulle zand naar de zee.

Zeester lag op het strand. Verbaasd zag hij twee sterren op zich af komen. Hij wreef zijn ogen uit. Zoiets had hij nog nooit gezien. De sterren kwamen steeds dichterbij. “Vallende sterren”, flitste het door hem heen. “Dan mag ik een wens doen.” Hij kneep zijn ogen dicht en wenste dat hij weer eens bezoek zou krijgen, want hij voelde zich de laatste tijd wat eenzaam.

“Zeester”, hoorde hij roepen, “ben je thuis? We komen een kopje zoute thee bij je drinken en we hebben iets voor je meegebracht.” Pas toen eekhoorn en kikker de sterren in het zand legden, zag zeester wie het waren. Van ontroering stroomden er zilte tranen uit zijn ogen. “Kan ik ze mee naar binnen nemen? Dan kan ik ze thuis ophangen.” “Ik weet niet”, zei eekhoorn, “het kan zijn dat ze dan doven.” Even later zaten eekhoorn en kikker bij zeester aan tafel en dronken zoute thee. “Heerlijk”, zei eekhoorn, terwijl de sterren boven hun hoofd langzaam doofden.