|
Opeens bleef eekhoorn staan. “Gaan we eigenlijk wel de goede kant op?”,
vroeg hij terwijl hij om zich heen keek. “Zal ik in een boom klimmen om te
kijken?”. “Hoeft niet”, zei kikker. “De sterren wijzen de weg. Die kant
op.” Eekhoorn rende achter kikker aan, die met grote sprongen vooruit
liep. “Stop eens even”, riep eekhoorn, “ik weet dat je een ster bent in
hoogspringen, maar ik kan je niet bijhouden. Ik bedenk me trouwens net dat
we wat vergeten zijn. Je moet toch altijd iets meebrengen als je op visite
gaat en ik heb niets bij me voor zeester. Zelfs geen beukennootjestaart.” Zeester lag op het strand. Verbaasd zag hij twee sterren op zich af komen. Hij wreef zijn ogen uit. Zoiets had hij nog nooit gezien. De sterren kwamen steeds dichterbij. “Vallende sterren”, flitste het door hem heen. “Dan mag ik een wens doen.” Hij kneep zijn ogen dicht en wenste dat hij weer eens bezoek zou krijgen, want hij voelde zich de laatste tijd wat eenzaam. “Zeester”, hoorde hij roepen, “ben je thuis? We komen een kopje zoute thee bij je drinken en we hebben iets voor je meegebracht.” Pas toen eekhoorn en kikker de sterren in het zand legden, zag zeester wie het waren. Van ontroering stroomden er zilte tranen uit zijn ogen. “Kan ik ze mee naar binnen nemen? Dan kan ik ze thuis ophangen.” “Ik weet niet”, zei eekhoorn, “het kan zijn dat ze dan doven.” Even later zaten eekhoorn en kikker bij zeester aan tafel en dronken zoute thee. “Heerlijk”, zei eekhoorn, terwijl de sterren boven hun hoofd langzaam doofden. |