|
 
In het begin van de lente zochten de dieren elkaar op. De zon was al
aardig warm. Schildpad kwam net aanlopen toen slang bezig was met vreemde
kronkelingen. Verbaasd bleef hij naar slang staan kijken. "Waar ben jij
mee bezig?", vroeg schildpad. "Wacht even", zei slang met een stem die van
ver kwam, "ik ben zo klaar." Even later kroop slang te voorschijn. Naast
hem lag een lubberig stuk vel. "Zo", zei slang, "dat lucht op. Ik heb even
mijn vel uitgetrokken. Het zat wat strak na de winter." "Zo, jij durft",
zei kikker die er bij was komen staan, "ik moet er niet aan denken!"
"Ach", zei slang, "je moet wat los kunnen laten en je krijgt er iets
nieuws voor terug." Schildpad verzonk in diep gepeins. "Ik kan mijn schild
niet loslaten", zei hij. "Dan ben ik nergens." "Ik kan mijn vel wel
loslaten", klonk het zachtjes. Het was rups. "Binnenkort zal dat wel weer
gaan gebeuren. Je kan mij dan niet meer herkennen."
"Waar hebben jullie het over?", vroeg eekhoorn, die uit een boom naar
beneden kwam. "Toch niet over iets moeilijks, hoop ik, want het is geen
weer om diep na te denken. Kijk eens om je heen, de bomen krijgen weer
bladeren." Er dwarrelde een verlaat blad naar beneden. "Nou, nou", zei
eekhoorn, "die heeft lang gewacht met loslaten. Zeker een beuk, die wacht
altijd tot de lente." "Nou begin jij ook al over loslaten", zei kikker.
"Ik moet straks mijn eitjes loslaten in het water en dan maar kijken wat
er van komt." "Kom", zei slang, "ik moet er weer eens vandoor, want
eigenlijk hoor ik hier niet. Het was mij zeer aangenaam, maar ik moet naar
de woestijn. Een hele reis!"

"Is het druk in de woestijn?", vroeg eekhoorn. "Niet bepaald", zei slang.
"In de woestijn kan je heerlijk tot jezelf komen en nadenken." "Dat zou ik
ook wel willen", zei eekhoorn, die inmiddels op een tak was gaan zitten.
"Zou ik met je mee mogen?" "Ik houd je niet tegen", zei slang, "maar ik
denk dat je het er niet lang uit zult houden. Het is er erg warm en er
groeien geen bomen. Denk eens aan alles wat je hier achterlaat. Je
beukennoten, je vrienden, je boom. Maar misschien krijg je er veel voor
terug." Slang wrong zich in zoveel bochten, dat eekhoorn er duizelig van
werd. "Als je naar de woestijn gaat, word je vast beroemd. Dan ben je de
eerste eekhoorn die in de woestijn geleefd heeft…"
Eekhoorn dacht diep na, zo diep, dat hij de tak waar hij op zat losliet.
Hij viel in de zachte bladeren die er nog lagen van voor de winter.
Doodstil bleef eenhoorn liggen en probeerde zich de woestijn voor te
stellen, maar erg lukken deed het niet. "Gaat het?", vroeg kikker. "Je
ligt er nogal raar bij." Voorzichtig sloeg eekhoorn zijn ogen op. "Ben ik
niet in de woestijn?", vroeg hij. "Je bent in de war", zei kikker die een
arm om eekhoorn heensloeg. "Die slang heeft je helemaal van de wijs
gebracht met zijn verhalen over de woestijn." Eekhoorn zuchtte diep. "Laat
me niet los", zei hij tegen kikker. "Jullie moeten me niet laten vallen."
"Praat geen onzin", zei kikker. "We zijn er altijd om je op te vangen. Ik
haal wat beukennootjes voor je."
|