|
Een wijs besluit
(naar Mattheus 2,1-12) We hebben een lange reis gemaakt. Dagen
zijn we onderweg geweest, Caspar, Balthasar en ik, Melchior. Niemand weet
wie we zijn in dit vreemde land. Ze noemen ons de Wijzen uit het oosten.
Nou, ik weet niet of we zo wijs zijn, maar we hebben wel verstand van
sterren kijken. De mensen denken dat het een soort toverij is, om dingen
te zien in de sterren. Ze noemen ons magiërs.
Een week geleden stonden we op de toren van het paleis van Balthasar, en
we zagen opeens iets heel bijzonders. Een ster, die we nog nooit hadden
gezien, zo helder en mooi, onvoorstelbaar. Geen van drieën wisten we wat
het was, en waar het vandaan kwam. We zijn gaan zoeken, in alle boekrollen
die we konden vinden. In een hele oude boekrol vonden we de oplossing: in
Israël zou een heel bijzonder kind geboren zijn, een kind dat alles in het
land zou veranderen. Toen we dat hadden ontdekt, zijn we op weg gegaan.
Zo’n bijzonder kind, dat wilden we graag zien. Maar waar zouden we moeten
zoeken? “Dit kind is vast een koningskind”, zei Caspar, “laten we in
Israël de koning zoeken, dan is dat kind vast in de buurt.”
Vredig
Maar de koning, Herodes, wist van niks. Hij werd er nogal chagrijnig van.
“Hoe weten jullie dat?”, snauwde hij. Toen we het hadden uitgelegd liep
hij kwaad weg, schreeuwend om de geleerden uit het paleis. Toen hij
terugkwam was hij ineens poeslief. “Mijne heren, ik stel bijzonder veel
belang in uw zoektocht,” zei hij deftig. “Houdt u mij alstublieft op de
hoogte van uw vorderingen, zodat ikzelf het kind ook met een bezoek kan
vereren. Wellicht vindt u het kind in Betlehem, dat lijkt mijn geleerden
het meest waarschijnlijk.” Of we dus nog maar eens terug wilden komen, als
we het kind gevonden hadden. Nou, die geleerden uit het paleis hadden wel
gelijk. We vonden het kind in Betlehem, in een grot, met z’n vader en
moeder. Eerlijk gezegd vonden we het nogal vreemd, een armoedige toestand,
in elk geval. Maar het waren vriendelijke mensen, die ouders, en helemaal
vol van hun kind.
En bijzonder was het ook. Er was zo’n rust in die grot, zo’n vredig
geheel. En dat terwijl het kind geboren was toen ze onderweg waren. Geen
wiegje, geen bed voor de moeder, alleen een kribbe en wat stro. Wij gaven
hem goud, wierook en mirre, wat we meegebracht hadden.
Droom
Toen we terug wilden gaan, gebeurde er iets bijzonders. Alledrie hadden we
dezelfde droom, tegelijkertijd. Dat kan toch geen toeval zijn? In die
droom kwam er een engel naar ons toe. “Ga niet terug naar koning Herodes,”
zei hij. “ Hij wil het kind doden, omdat hij bang is dat het zelf koning
wil worden. Ga naar huis.” Natuurlijk deden we wat de engel zei.
Jozef, de vader, had in zijn droom ook een engel gezien. Die vertelde hem
dat hij met Maria en Jezus, het kind, naar Egypte moest vluchten. En dat
heeft hij gedaan.
Een wijs besluit. Want achteraf hoorden we dat in Jeruzalem duizenden
kinderen zijn vermoord, alleen omdat Herodes er zeker van wilde zijn dat
hij van het koningskind niets meer te vrezen zou hebben. Jezus was er niet
bij, God zij dank! |