Goed gekozen? (naar Marcus 16,1-8)

Het is donker in de kamer. Er brandt alleen een kaars. Buiten is het prachtig weer, maar Maria Magdalena, Maria van Jezus en Salomé willen het vandaag niet zien. Al bijna vier dagen zijn ze bij elkaar. Droevige dagen, vol geweld en angst.

Gruwelijk einde
Het gaat allemaal om hun vriend Jezus, de man die ze zo bewonderden. Hij is opgepakt door Romeinse soldaten. Maar die soldaten zijn niet uit zichzelf gekomen. Ze waren gestuurd door hun eigen priesters en door Judas, die zichzelf een vriend van Jezus noemde.
Jezus heeft zich bijna niet verzet. Hij wilde zelfs niet dat Petrus en de anderen voor hem vochten. Hij is ondervraagd en gemarteld door de priesters en door de Romeinen. Zijn vrienden waren bang, doodsbang dat hen ook iets zou overkomen. Ze zijn allemaal weggevlucht. Maar zijn vriendinnen, de twee Maria's en Salomé hebben een andere keuze gemaakt. Zij zijn bij Jezus gebleven, tot het einde toe. Een gruwelijk einde. Jezus is dood, vermoord. De Romeinen hebben Hem aan het kruis gehangen. En niemand heeft het kunnen verhinderen.

Verdriet
Nu zitten ze verdrietig bij elkaar, de drie vriendinnen. Een paar uur nadat Jezus was gestorven hebben ze hem begraven. Een snelle begrafenis, want het was al bijna donker geworden. Vanmorgen zijn ze terug gegaan naar het graf, om zijn lichaam in te smeren met balsem, zoals de gewoonte is.

Een vreemde man
Maar bij het graf was iets raars aan de hand. Onderweg hadden ze zich nog afgevraagd hoe ze in godsnaam die grote steen, die voor de ingang van het graf lag, weg zouden kunnen krijgen. Maar toen ze aankwamen, zagen ze dat iemand anders hem al weggerold had. "Hoe kan dat nou?", vroegen ze zich af. Ze waren naar binnen gegaan en zagen daar een jonge man in witte kleren zitten. Ze waren zich rot geschrokken.

Weggevlucht
"Jullie hoeven niet te schrikken", had hij gezegd. "Ik weet dat jullie Jezus zoeken, die gekruisigd is. Hij is niet meer hier. Ga naar Petrus en de anderen en zeg hen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen jullie Hem zien." Daardoor waren de drie vriendinnen nog banger geworden. In paniek waren ze naar huis gevlucht, waar ze de deuren op slot hadden gedaan en de gordijnen hadden dichtgeschoven.

Wat doen we nu?
Nu zitten ze al de hele middag te praten. Ze zijn wel een beetje van de schrik bekomen, maar ze weten niet wat ze moeten doen. "Hij heeft toch gezegd dat we naar Petrus moeten gaan", zegt Maria steeds. "Petrus", zegt de andere Maria, en ze lacht een beetje bitter. "Petrus wilde Jezus niet eens meer kennen toen hij gevangen was. Laat staan dat hij ons nu wil geloven."
"Ja", zegt Salomé, "ze geloven ons vast niet. Ze zullen wel zeggen dat het verzinsels zijn, verzinsels van vrouwen met teveel verdriet."
"Vrouwen worden trouwens toch niet serieus genomen als getuige", zegt Maria verdrietig. "Ze zullen nooit begrijpen wat wij gezien hebben. Ik begrijp er trouwens zelf ook niet veel van. Wie was die man eigenlijk, en wat wou hij nou van ons?" "Misschien was hij wel een bedrieger", zegt Salomé. "Dan staan we straks mooi voor gek. "En toch vind ik dat we moeten gaan", zegt Maria koppig. "We hebben toch altijd nog voor Jezus gekozen? Laten we dat nu weer doen." Maar ze kan de anderen er niet van overtuigen. En zo blijven ze nog lang zitten, in dat sombere, donkere huis.