De farizeeër en
de tollenaar (naar Lucas 18, 9 -14)
Wat een bof
"Wij boffen toch maar", zegt Nelly. "Gelukkig zijn wij geen mensen, maar
pelikanen." Verbaasd kijk ik Nelly aan. Soms kan ik Nelly moeilijk begrijpen.
"Wat bedoel je?", vraag ik. Nelly gaat er eens goed voor zitten. Ze wijst met
haar snavel naar het huisje aan de overkant van de weg. Daar staat een lange rij mensen.
Ze moeten geld betalen aan een man, voordat ze verder mogen. "Wij hoeven nooit iets
te betalen", zegt Nelly. "Wij zijn tenminste vogelvrij. Wij kunnen gaan, vliegen
en staan waar wij willen. Wij vogels zijn niet zo stom als de mensen. Moet je horen hoe ze
staan te mopperen op die tollenaar."
Nelly heeft gelijk. De rij voor het tolhuisje wordt steeds langer. Sommige mensen worden
teruggestuurd. "Gelukkig hoeven wij geen geld te verdienen. Het lijkt me helemaal
niets. Zeker niet op zo'n manier. Iedereen heeft een hekel aan die man."
"Dat zou ik ook hebben", zegt Nelly. "Ik zou hem meteen wegpikken, als hij
in mijn buurt kwam." Nelly vliegt op. Demonstratief vliegt ze een paar rondjes boven
het tolhuisje. Ik verbeeld me dat sommige mensen een beetje jaloers naar haar staan te
kijken.
Een vrije vogel
Een eindje verder staat een groepje mensen met elkaar te praten. "Wacht eens",
zegt Nelly. "Daar heb je die verhalenverteller weer. Die man lijkt een beetje op ons,
Bert." Ze gaat in een boom zitten. "Hoe kom je daar nou bij, Nelly? Hij lijkt
helemaal niet. Hij heeft geen vleugels en geen snavel." Nelly moet er niet om lachen.
Ze vindt me superdom. Ze vliegt geërgerd een tak hoger. Vanuit de hoogte spreekt ze me
toe: "Hij is ook overal en nergens, net als wij. Hij gaat ook heen waarheen hij wil.
Hij is een vrije vogel, net als wij. Je ziet hem steeds op andere plaatsen. Hij vertelt zo
goed. Ik wil nu naar hem luisteren, dus ik wil dat je je snavel een poosje
dichthoudt."
Jezus vertelt
"Twee mensen zijn op weg naar de tempel. Ze willen er met God praten. Ze gaan bidden.
De één is een geleerde farizeer. Hij loopt voorop. Hij kijkt om zich heen of hij
bekenden tegenkomt. De mensen groeten hem beleefd. De farizeeër vindt het fijn wanneer
veel mensen zien dat hij op weg is naar de tempel. Hij weet per slot van rekening bijna
alles over God. Hij kent de heilige boeken uit zijn hoofd.
Een eind achter de farizeeër loopt een tollenaar. Hij kijkt naar de grond en hij hoopt
dat niemand ziet dat hij op weg is naar de tempel. De tollenaar heeft hard gewerkt om geld
op te halen voor de Romeinen die het land bezet hebben. De tollenaar weet heel goed dat de
mensen het niet fijn vinden dat hij voor de Romeinen werkt, maar veel keus heeft hij niet.
In de tempel
De farizeeër staat met opgeheven hoofd te bidden. Hij zegt in zichzelf: "God, ik
dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen. Ik dank u dat ik geen rover ben. Dat
ik veel goed doe en dat ik rechtvaardig ben. Ik dank u dat ik altijd netjes heb geleefd en
dat ik niet zo ben als die tollenaar daar. Ik vast twee keer in de week en ik geef veel
geld weg aan goede doelen. Ik geef wel tien procent van mijn inkomen."
De tollenaar staat op een afstand. Hij durft niet op te kijken. Hij klopt zich op zijn
borst en zegt: "God, wees mij, zondaar, genadig. Laat mij alstublieft niet alleen,
God."
Uit de hoogte
Zal ik je vertellen naar welk gebed God heeft geluisterd? God luistert naar het gebed van
de tollenaar, want de tollenaar heeft God nodig. De tollenaar is niet zo zeker van
zichzelf. Hij weet dat wat hij doet verkeerd is. Maar de farizeeër gaat de tempel uit
zoals hij erin gekomen is: zeker van zijn eigen goedheid, deftig en uit de hoogte.
Want een ieder die van zichzelf vindt dat hij boven andere mensen staat, dat hij beter is
dan anderen, zal onderuit gaan. Maar iemand die vindt dat er nog heel wat te verbeteren is
aan zichzelf, zal door God gezien worden.
Want wie zichzelf verheft zal vernederd worden. Maar wie zich vernedert zal verheven
worden."
Als het verhaal afgelopen is, hoor ik een wild gefladder naast me.
Nelly is van haar verheven plaats op de tak boven mij naast mij komen zitten. "Zullen
we verder gaan?", zegt ze zachtjes. "Het is mooi geweest."
Suggesties bij het
bijbelverhaal
Het verhaal hierboven is uit de bijbel. Van zo'n
verhaal kan je ook een (poppenkast) spel maken. Je hebt daar twee poppen of twee kinderen
voor nodig. Zo zou het kunnen:
Farizeeër:
Goedendag, ik ben een farizeeër. "Sjaloom, vrede", zeggen
wij als we elkaar tegenkomen. Ik ben heel geleerd, weet je.
Ik heb heel veel in de bijbel gelezen. Ik weet bijna alles over God. Ik zal je het nog
sterker vertellen! Als wij er niet geweest waren, hadden jullie nooit een bijbel gehad.
Dan zou je helemaal nooit hebben kunnen lezen van Adam en Eva, van Abraham, van Mozes,
koning David en al die anderen. Vroeger waren die verhalen niet opgeschreven. Dan
vertelden wij elkaar al die verhalen om nooit te vergeten wat God allemaal voor ons gedaan
heeft.
Nee, ík heb ze niet opgeschreven. Dat hebben de farizeeërs van vroeger gedaan. Ik vertel
de mensen hoe ze moeten leven zoals God het wil. Wacht even , er komt iemand aan.
Tollenaar:
Hallo, ik ben een tollenaar. Ik ben niet zo goed als die meneer waar
jullie net mee praatten. Weet je wat ik doe? Ik haal geld op. Ik laat de mensen tol
betalen. Dat is een soort belasting. Daarom heet ik tóllenaar, snap je? Dat geld geef ik
aan de soldaten. Die hebben veel geld nodig om wapens te kopen en te eten. Die soldaten
komen helemaal uit Italië, het zijn Romeinse soldaten. Zij hebben ons land ingepikt. Ik
werk dus voor onze vijanden. Daarom wil eigenlijk niemand iets met me te maken hebben,
begrijp je..... Maar ja, ik moet toch ergens mijn brood mee verdienen. Ik weet best dat
het niet goed is wat ik doe. Maar ik kan nu niet anders meer.
Farizeeër:
Hebben jullie dat gehoord?! Wat een akelige man, hè. Wat ben ik blij
dat ik niet ben zoals hij. Ik ben tenminste goed. Ik doe niet zulke gemene dingen. Ik dank
God dat ik niet zo ben als die tollenaar. Ik ga nu naar de tempel om God te bedanken. Wat
zal God blij met me zijn. Ik moet nu opschieten, want ik kom vast nog heel veel mensen
tegen onderweg. Daaag!
Tollenaar:
Ik ben op weg naar de tempel. Ik wil aan God vragen of hij me wil
vergeven. Gad zal me wel begrijpen. Ik ga maar gauw. Ik hoop dat niemand ziet dat ik op
weg ben naar de tempel. Daag!