El Loco en de man die honger had

El Loco en de man die honger had
De man was moe en had erge honger. Dagen en dagen had hij over de kale, dorre hoogvlakte gelopen. Toen hij het stadje zag, slaakte hij een zucht van opluchting. De man begon sneller te lopen en bereikte het pleintje vóór de kerk op het ogenblik dat de klokken het middaguur aankondigden. Hij vroeg waar de rechter woonde en ze wezen hem een groot huis. De rechter ontving de man knorrig en verwees hem naar de advocaat die aan de overkant woonde. De advocaat hoorde de man aan, eiste een bedrag vooruit en zei Manana – morgen. Dat ging drie dagen achter elkaar zo door en de man had honger en hij had het koud. Op de vierde dag besloot hij zich in de kerk te gaan warmen. Misschien wilde iemand hem wel te eten geven. De priesters legden de man uit, dat ze daar niet aan konden beginnen. Hij was een vreemdeling. Hoe wisten ze dat hij een goed christen was. Ze waren zelf doodarm en ze hadden hun handen al vol aan de armen in de stad. Die konden ze toch niet voor hem verwaarlozen? De man ging naar buiten en kroop tegen de muur aan om een beetje beschutting te hebben tegen de gure wind.
Hij ontdekte een man op een oude, vuile deken die bezig was steentjes in een leeg conservenblik te gooien. ‘Wil jij ook eens gooien?’ zei de man. De man wist niet wat hij er van denken moest. Zou hij maar niet liever doorlopen? De man op de deken gooide een steentje. Klinkklonk. Precies in het blik. ‘Wil je het ook eens proberen?’ vroeg hij. ‘Ga zitten.’ Hij schoof een eindje op. De vreemdeling probeerde het. Maar het lukte hem niet. Om beurten gooiden ze, totdat de vreemdeling opstond. ‘Ik moet maar weer eens verder. Ik zoek een plaatsje om te slapen.’ ‘Je hebt honger, hè,’zei de man op de deken. Hij had een rode band om zijn hoofd en glimlachte. ‘Ben je al bij Dona Ida geweest? Ze verkoopt koek en gebak. Ze is heel aardig. ‘
‘Ik heb maar heel weinig geld,’ zei de man bedrukt. ‘Ik moet ook nog wat bewaren voor de terugweg.’
‘Hier in de buurt woont een vriend van mij. Ze noemen hem de Fransoos. Ga daar maar heen . Hij geeft je wel; wat.’
Na tien minuten was de man terug. Hij schaamde zich dat hij zo’n erge honger had. ‘En,’ vroeg de man met de rode haarband op de deken. ‘Niks,’zei de vreemdeling. Hij liet zijn lege handen zien. ‘Heb je hem alles verteld?’ vroeg de man. ‘Ja, ik heb zelfs gezegd dat jij me gestuurd had. Toen begon hij te lachen en zei dat ik maar op mijn nagels moest bijten en jouw rode band opeten.’ De man begon te lachten. ‘Weet je, de Fransoos heeft zoveel eten in huis dat hij zich schaamt om iets weg te geven. Maar we moeten hem van die schaamte afhelpen. Ga nog maar eens naar hem toe. Zeg dat de man met de rode band zich vergist heeft en dat de advocaat een paar biggetjes en een paar stukken koek wil hebben. Zeg dat het dringend is.’ De vreemdeling ging heen en hij kwam terug met een zak vol eten. ‘Eet maar,’ zei de man.

( Naar El Loco - de dwaas - van Roberto Manzi, uitg. Westfriesland, Hoorn, 1982)