Ergens in een
bergdorpje in een latijnsamerikaans land zit een man met een rode hoofddoek voor de kerk
steentjes in een blik te gooien. Niemand weet waar hij vandaan komt. Ze noemen hem El
Loco, de dwaas.
Op een dag gaat Rafaël naar El Loco om hem eens lekker te plagen,
zoals alle jongetjes wel eens doen. El Loco vindt dat niet erg. Hij speelt het spelletje
gewoon mee en trekt allerlei gekke gezichten waar de kinderen altijd erg om moeten lachen.
Loco, schreeuwt Rafaël. Hij durft niet erg in de buurt te komen, want hij is
toch wel een beetje bang. Loco, wil je me je deken geven? Mijn
deken? vraagt Loco. Een mooie warme deken. Wil je eens voelen hoe warm hij
is? Mag ik hem hebben? vraagt Rafael. El Loco staat op. Hij pakt zijn
deken en houdt hem de jongen voor. Rafael doet een stapje achteruit. Wil je mijn
deken niet meer hebben? vraagt El Loco. Wil je dan spelen?
Kijk eens wat ik gevonden heb? Rafael heeft een boek in zijn handen.
Weet je wat dat is? vraagt Rafael. Dat heb ik gevonden op de
vuilnishoop. Wil je het opeten, Loco? Geef maar hier, zegt El Loco, dan
verslind ik het meteen. Rafael gooit het boek naar El Loco toe. Die veegt het
voorzichtig schoon en begint te lezen. Hé, sufferd! Ik dacht dat je het zou
verslinden, schreeuwt Rafael. Een meisje van een jaar of twaalf blijft staan.
Daar ben ik mee bezig, zegt El Loco. Waarom kauw je dan niet?
vraagt Rafaël.
Weet je dat gaat zo: je kijkt ernaar en je verslindt het innerlijk, antwoordt
El Loco. Je bent hartstikke gek, zegt Rafael. De man slaat een bladzijde om.
Kijk nu eens. De zon! Kom maar kijken. Behoedzaam komen Rafael en het meisje
dichterbij.
Zie je, Dit is de zon, een blad, een vlieg, zie je wel? Allemaal
even mooi..
"Die vlieg ook, El Loco? vraagt Rafael. Loco legt het boek op zijn knieën en
kijkt het jongetje aan. Heb je wel eens goed naar een vlieg gekeken? Vliegen dragen
een tere, dunne blauwe mantel.
Maar ze stinken, zegt Rafaël. Daar heb je gelijk in, maar zou jij blij
zijn met bloemengeur als er geen stank op de wereld was? Rafael weet niet wat hij
zeggen moet. "Je bent natuurlijk getikt, maar
Het meisje vraagt:
Loco, kan jij dat verhaal lezen? Hoe kan hij nou lezen, roept
Rafael. Hij is toch geen blanke?
Maar El Loco leest voor. Zijn stem klinkt prettig. Toen hij het hele
vertelboek had uitgelezen, zaten er tien kinderen om hem heen. Het is uit,zegt
El Loco. We hebben het samen verslonden. Het meisje zucht. Dan
wil ik ook zo eten, zegt ze zacht. Dan moet je naar school gaan,zegt El
Loco. Dat kan niet. Ik moet werken,zegt het meisje. Dan kom je hier maar
eten, zoveel als je wilt. Het meisje wijst met haar vuile vinger een woord aan.
Wat staat hier, vraagt ze. Daar staat leven. Le-ven. Een prachtig woord.
Vind jij het ook mooi? Wat betekent dat, Loco, vraagt het meisje.
Jij, jij bent leven,zegt Loco. "Ach, schei toch uit! Maar Loco
zegt: Heus waar. Jij bent leven en de vlieg en de planten. Jij bent Leven!En
van toen af noemde hij het meisje Leven.
( Naar El Loco - de dwaas - van
Roberto Manzi, uitg. Westfriesland, Hoorn, 1982)