1. De stille heuvel
Sandra had haar mand met bosbessen helemaal vol. Ze had haar eigen geheime plek om
bosbessen te plukken, de beste plek om bosbessen te plukken. Daar groeiden altijd veel en
grote bosbessen! Zo kon ze haar mand altijd gauw vol krijgen. Wat ze verder nog plukte,
stopte ze in haar mond. Ze wilde eigenlijk nog niet naar het dorp. Het was op die plek zo
stil, zo rustig.
Ze moest, als ze naar huis wilde, wel voorzichtig van die bosbessenplek vandaan zien te
komen: ongezien, met een omweg.
Nee, niemand mocht zien waar ze haar bosbessen plukte: het was op de stille heuvel, het
heilige bos. Daar was het altijd stil, mensen mochten er niet praten. Op deze plek hoorde
je alleen de goden.
De vriendinnen van Sandra zouden ook helemaal niet mee willen, naar deze plek. Ook al
konden ze meer manden met bosbessen vullen dan ze vingers hadden. Ze waren daar veel te
bang voor. Vrouwen mochten op deze plek niet komen, dus helemaal geen meisjes.
Sandra was niet bang. En ze dacht: als de godin Frya hier mag komen, dan mag ik haar toch
horen?
Dat ze niet bang was kwam ook door haar moeder. Haar moeder was in het dorp een priesteres
van Frya. Daar praatte ze wel eens met Sandra over. En ze leerde Sandra ook kruiden van de
moedergodin herkennen. En wat je met die kruiden kon doen.
Juist daarom kwam ze er graag. Ook als de bosbessentijd voorbij was. Frya liet zich wel
eens horen, vooral in de herfst, als er bijna geen bladeren meer aan de eikebomen waren.
Dan hoorde je de wind door de laatste bladeren: dat was de stem van Frya. In de tijd van
de lange dagen hoorde ze Frya bijna nooit. Wel de stem van Donar. Maar die hoorde je
overal, als hij kwaad was en met bliksems gooide!
Nu was het stil, op de stille heuvel van de goden. Het was ook goed weer, dus Donar hoorde
je ook niet.
Stil, was het stil? Nee, ze hoorde opeens
iets, geluid, paarden-gebries, gepraat, voetstappen. Ze dook weg achter wat stronken.
Vreemde mensen, die ze niet kende. Die mensen wisten zeker niet waar ze waren, anders
zouden ze hier niet zomaar komen. En zeker zouden ze hun mond houden. Ze hoorde hen
bekende woorden zeggen, zo van "een moeilijke weg" en "uitrusten,
honger" maar wel op een vreemde manier, anders dan de mensen hier praatten. Ze zaten
niet op hun paarden maar hielden ze aan hun tooi vast. Er waren hier teveel struiken om op
paarden te zitten. Wat zagen ze er vreemd uit! Lange bruine zakken hadden ze om, met een
riem. Ze hadden geen zwaarden bij zich, wel lange stokken. En grote tassen hadden ze bij
zich. Sandra werd toch nu wel bang. Wat zouden ze doen als ze haar zagen? Ze hield
zichzelf zo stil als een muis.
De mensen liepen even verder, vlak langs haar. Zouden ze haar hart horen? Dat bonkte van
angst. Alsof er een god in haarzelf zat die donderde. Niemand merkte Sandra op. Ze haalde
voorzichtig adem. Ze kon ze nu tellen. Ze zag 7 mannen. Één ervan was duidelijk de
oudste, de anderen hadden geen baard. De meesten hadden geel haar, eentje rood. Rood haar,
net als haar moeder! Die oude man had wit haar.
Een eindje verder, daar waar de priesters van Donar altijd op midzomer de nacht
doorbrachten, vormden die vreemde mensen een kring. Midden in die kring werd een soort
stok in de grond geplant. Een stok met een kruis erop. Zou dat een geheim teken zijn? En
wat haalde die oudste man uit zijn kleding? Een doosje? Ze zag het niet goed. Deed hij het
open? Het was net alsof hij zomaar een heleboel bladeren in zijn hand had waar hij naar
keek. Hij begon te praten, terwijl hij in die bladeren keek. Nu sprak hij woorden die
Sandra nog nooit gehoord had. De oude man praatte wel rustig. En de andere mannen stonden
er rustig bij. Wat zou Donar ervan vinden? Zouden het mannen van Donar zijn? De oude man
deed de doos met bladeren weer dicht en stopte het in zijn kleding voorzichtig terug. De
mannen begonnen te zingen. Ze verstond niet wat ze zongen. Ze hoorde af en toe een zelfde
woord. De muziek had ze ook nooit gehoord. Het zingen klonk soms verdrietig, soms ook
blij. Nee, het waren geen Donar-priesters. Die zongen in het dorp heel anders.
Nu zag ze de andere mannen eten en drinken te voorschijn halen. Ze begonnen te eten.
Opeens sprong ze op, gilde het uit. Een zwarte adder had haar in haar been gebeten. Een
adder van Donar, met een gele streep over zijn lange lijf. Ze wist dat ze niet lang meer
zou leven. In het dorp woonde ook één van de priesters van Donar die wist hoe je van
zo'n beet kon genezen. Maar het dorp was te ver om het nog te halen. Trouwens, schoot het
nog door haar heen, die priester zou haar niet willen helpen als hij wist dat ze op de
stille heuvel was geweest. Dit was haar straf.
Voordat ze het wist, stond er een van die mannen naast haar. Ze had geen tijd meer om bang
te zijn. Haar been deed zo'n pijn. Die man, hij had rood haar, wist ze nog, pakte haar
voorzichtig op. Hij riep iets van "vader Willibrord", hoorde ze. Die andere man,
die oude man, kwam naar haar toe. Hij bukte zich en keek naar waar ze gebeten was. Hij
haalde uit een van zijn tassen wat kruiden en een mes. Zacht keek hij Sandra aan. Sandra
keek terug. Waarom wist ze niet, maar ze was helemaal niet bang. De oude man vroeg haar
iets. Ze verstond "slangebeet?" Sandra knikte. "Zwarte slang?" vroeg
hij? "De adder van Donar" antwoordde Sandra. "Straf," zei ze nog. Ze
zag die oude man vriendelijk lachen en zijn hoofd schudden. Zijn witte haren schudden mee,
alsof Frya erdoor heen blies. Toen werd het donker voor haar ogen. Sandra was flauw
gevallen.
2. Het dorp van Donar Sandra deed haar ogen open. Ze zag haar moeder blij kijken. Sandra keek rond. Ze
was thuis, zag ze. Ze wilde van haar slaapplek opstaan. Haar moeder en de pijn in haar
been hielden haar tegen. Sandra herinnerde zich weer alles. Haar been, die adder, de
straf. En de bosbessen, waar waren de bosbessen?
Haar moeder vertelde hoe ze door een groep mannen op paarden het dorp in werd gedragen. De
oudste man hield haar voor zich op zijn paard. Eén van de mannen vertelde dat ze haar
gevonden hadden, dat ze gebeten was en dat ze het gif uit haar been gezogen hadden en er
kruiden opgedaan hadden. Haar moeder wist welke kruiden dat waren en ze wist ook dat de
meeste mensen van het Donardorp deze kruiden niet kenden. Terwijl haar moeder dit zei
bracht ze haar vinger naar haar mond. Sandra wist dat dit niet aan de mensen van het
Donar-dorp verteld mocht worden. Haar moeder vertelde dat de mannen van het dorp argwanend
waren. Ze begrepen eerst niet wat er met Sandra gebeurd was. En ze vonden het ook vreemd
dat ze van de kant van de stille heuvel kwamen. Waren het priesters van Donar? De vreemde
mannen zeiden dat ze van Christusjezus waren. Christusjezus, daar hadden ze nooit van
gehoord. Sandra herkende die naam, uit dat lied dat ze de mannen had horen zingen.
Sandra vertelde haar moeder nu wat zij had meegemaakt. En Sandra hield ook haar vinger
tegen haar mond.
Ze hoorden buiten mannen praten. Ook die mannen die haar geholpen hadden. Sandra en haar
moeder luisterden. Ze hoorden de stem van die oude man en ook de stem van de broer van
haar vader. Waar ging het over? De stem van haar oom klonk boos. De deur ging open, haar
oom Sibe kwam binnen. Hij schreeuwde dat Sandra en Fryasvrouw, zo heette haar moeder, naar
buiten moesten komen. Haar moeder zei dat Sandra nog niet mocht lopen. Boos liep haar oom
weer de deur uit.
Op dit moment wisten Sandra en haar moeder dat Emond, de vader van Sandra, niet kwaad zou
zijn weggelopen.
Emond, een boer en visser, was twee jaar geleden verdwenen tijdens het vissen op de Rijn.
Sommige mensen in het dorp zeiden dat hij was verdronken. Andere mensen dat hij gevangen
was genomen door de Saksen en nu ergens als slaaf moest werken voor die Saksen. De Saksen
kwamen af en toe met een boot de Rijn afvaren om mensen als slaven gevangen te nemen.
Sandra en Fryasvrouw misten Emond, maar ze waren niet bang. Opnieuw ging de deur open en
kwam er veel licht binnen. Sibe en Vroede kwamen binnen. Vroede was de aanvoerder van de
honderdmangroep van het dorp. En Vroede woonde in de grootste boerderij. Zijn
betovergrootvader woonde daar al. Vanaf de tijd dat ze het oude volk, dat hier eerst
woonde, hadden overwonnen en verjaagd. Hij was dus de voornaamste man van het dorp. Een
vriendelijke man, een wijze man. Niet voor niets heette hij Vroede.
Rustig vroeg hij of hij binnen mocht komen. Fryasvrouw knikte. Hij vroeg hoe het met
Sandra ging. Fryasvrouw vertelde dat ze enkele dagen moest rusten maar dat de vreemde
mannen haar goed geholpen hadden. Vroede vroeg toen waar Sandra deze bosbessen geplukt
had. En hij liet de volle mand zien. Hij lachte en zei dat hij nog nooit zulke lekkere
bessen gesnoept had. Hij zette de mand bij de slaapplek van Sandra. Fryasvrouw vertelde
dat Sandra altijd haar eigen plek had, die ze niet wilde vertellen, een half uur lopen om
de stille heuvel heen. Vlak bij de Rijn. En dat ze dacht dat die mannen haar daar gevonden
hadden. Vroede knikte. Voorzichtig aaide hij Sandra over haar haar, groette Fryasvrouw en
liep met Sibe weer naar buiten.
De vrouwen hoorden hoe hij de vreemde mannen uitnodigde om te blijven. Ze konden hier vis
en graandrank krijgen. En ze zouden graag wat horen over die Christus Jezus van hen.
Sandra sliep weer in. Haar moeder ging naar buiten. Met de andere vrouwen van Donar-dorp,
ging ze eten en drinken klaarmaken voor de gasten. En daarna luisterde ze met de andere
mensen van het dorp naar wat die mannen vertelden.
3. Een god of veel goden? Het was een vreemd verhaal, dat die mannen vertelden. Vooral die oude man, die
zich Willibrord noemde, vertelde over een god die de hemel en de aarde gemaakt had. Dat
mensen daarom niet bang moesten zijn voor watergoden en hemelgoden en dondergoden.
Fryasvrouw knikte. Ze vond het goed dat je niet bang hoefde te wezen. Maar de andere
mannen en vrouwen keken boos en bang. Moest je dan niet meer bang zijn voor hun dondergod?
Dat was toch hun voornaamste god! Hun dorp heette naar hem! Als ze niet meer bang waren
voor hem zou hij hun dorp vernietigen! Dan zou de wraak van het oude volk terugkomen! De
vreemde mannen vertelden ook over een vrouw die een kind kreeg. Dat kind was dan die
Christus. Of Jezus. Of allebei? De mensen van het Donardorp begrepen het niet. Het liefst
hadden ze die mannen een klap op hun kop gegeven. Maar ja, ze hadden hen gastvrijheid
aangeboden. Fryasvrouw hoorde dat die Christus een moeder had, die Maria genoemd werd. Zou
dat ook een naam voor de moedergodin zijn?
Vroede hield zijn hand omhoog. Hij merkte dat de mensen van zijn dorp kwaad werden op die
Willibrord en zelf wist hij ook niet wat hij ervan moest denken. Maar dat zei hij niet.
Hij nodigde de gasten uit om te eten en daarna mochten ze in zijn boerderij gaan slapen.
Dan konden ze de volgende dag uitgerust verder gaan. Dat hoopte hij tenminste.
De oude man knikte en dankte Vroede en de andere mensen voor de gastvrijheid. Hij maakte
een teken en samen met de andere gasten zongen ze een lied, nu in een vreemde taal.
Fryasvrouw herinnerde wat haar dochter haar gezegd had. En ze herkende de woorden Christus
en Jezus.
Tijdens het eten was het stil. De mensen
van het dorp zaten in een grote kring om de gasten heen. En na het eten gingen de gasten
naar de boerderij van Vroede.
Fryasvrouw keek naar Vroede. Die begreep dat ze graag meer wilde horen. Hij knikte.
Ze liep eerst nog naar Sandra. Die sliep lekker. Daarna liep ze naar de boerderij van
Vroede. Ze kwam daar graag, ook om met de vrouw van Vroede, Gerlande, te praten.
Daar kon ze goed mee opschieten. Maar nu wilde ze meer horen over die verhalen, over die
vrouw ook. En ze wilde weten waar die mensen met het rode haar vandaan kwamen. Hoe ze
wisten dat die kruiden goed waren tegen slangegif.
Bij Vroede en Gerlande was het druk, toen ze binnenkwam. Gerlande stond op om haar welkom
te heten en een plek te geven, dicht bij die gasten, die weer aan het praten waren.
Fryasvrouw zat achter die roodharige man die Sandra het dorp ingedragen had.
Hij draaide zich om en knikte. De oudste gast vroeg aan hem om te vertellen hoe ze Sandra
gevonden hadden. "Vertel,
Domhnall", zei hij. Fryasvrouw schrok. Dat was een naam van het oude volk. Domhnall
vertelde hoe hij opeens een kreet hoorde en wat er verder gebeurde. Vroede vroeg toen waar
ze haar vonden. Domhnall vertelde over een open plek op een heuvel.
Het was even stil. Zo stil als op de stille heuvel.
"Dan was het de straf van Donar" zei Sibe zwaar. Fryasvrouw hield haar adem in.
De oudste gast, Willibrord, stond op. Hij vroeg het woord. Vroede knikte.
De gast vertelde over een ver land waar een machtige vorst woonde en vele goden. Die vorst
vond dat de mensen in zijn land aan de goden en aan hem moesten gehoorzamen. dat ze daarom
zijn slaven waren. Sommige slaven dachten dat dat zo hoorde. Dat ze slaven waren omdat dat
hun straf was, dat ze niet genoeg gehoorzaam waren aan de goden. Alleen de machtige man
van dat land was gehoorzaam aan de goden, dachten ze. daarom beloonde de goden hem en
moesten zij zijn slaven zijn. Maar enkele slaven dachten er anders over. Ze geloofden niet
in die goden. Ze geloofden in een eigen God. Een God die alle mensen gemaakt had. En die
wil dat alle mensen vrij zijn. Eén God. En met de hulp van die God zijn ze weggegaan uit
dat land van die goden.
Fryasvrouw stond op. Ze vroeg aan Vroede of ze wat mocht vragen als priesteres van Frya.
Vroede knikte.
Fryasvrouw zei dat Sandra door de
bescherming van Frya op de stille heuvel gelegd was, opdat de priesters van die Christus
Jezus haar zouden vinden. En ze vroeg aan de man met het rode haar, die Domnhall heette,
of de moeder van die Christus Jezus ook mensen beschermt. Domnhall en de andere gasten
knikten.
Vroede hief zijn hand omhoog. Hij zei dat het nu tijd was om te gaan slapen. Hij bood de
vreemde gasten een slaapplek aan. Gerlande liet de gasten uit het dorp uit.
Fryasvrouw hoorde, terwijl ze de deur uitliep, Vroede nog wel met de oudste gast praten.
Toen ze thuiskwam zag ze dat Sandra nog lekker sliep. Fryasvrouw was gerust. Ze wist nu
dat Sandra morgen weer gewoon met de andere kinderen mee kon spelen en dat ze mee kon
helpen met het eten klaarmaken voor de gasten.
4. Slaven Gelijk als de vorige dag stonden de gasten nu binnen een kring van de mensen van
het dorp. De mensen van het Donardorp wilden hun gasten voedsel aanbieden. Een groepje
vrouwen en meisjes stond al klaar met gevulde schalen en bekers. Een paar mannen en
vrouwen met touwen om hun enkels wilden wat banken en tafels aansjouwen.
Willibrord vroeg of ze eerst hun God mochten dienen. Vroede keek eerst naar zijn mensen en
knikte toen.
De gasten haalden een stapel bladeren te voorschijn. Ze keken daarin en ze zeiden om
beurten wat. Ze zongen ook. En, op een steen in die kring, hadden ze iets van een stuk
brood neergezet. Dat hield die Willibrord soms omhoog. Er stond ook een gouden beker,
versierd met kleurige stenen. Daar deed die Willibrord ook iets mee. De andere vreemde
mannen en hij aten van dat brood en dronken uit de beker. De mensen van het Donar-dorp
snapten er niets van.
Sandra keek met wat andere kinderen vanuit de verte toe. Ze herkende nu iets van het
zingen en van die bladeren, wat ze gisteren gezien en gehoord had. Ze hield wel haar mond
daarover.
De vreemde gasten waren klaar, zeiden ze, met hun gesprek met hun God. Nu wilden ze met de
mensen van het dorp graag eten en drinken. De vrouwen en meisjes en ook die vrouwen en
mannen met touwen, brachten het eten en drinken.
Onder het eten vroeg Sibe naar wat die gasten nu met hun God besproken hadden. En hoe die
God eruit zag.
Domhnall vertelde toen van een wedstrijd tussen hun God en andere goden. Vurig vertelde
hij van een oude priester van zijn God, hij had het over Elia, die tot zijn God bad. Die
God hielp hem eerst, de andere goden werden belachelijk gemaakt. Maar daarna liet die God
van Elia niets meer van zich horen en konden de priesters van die andere goden hem
achtervolgen. Elia vluchtte toen. Hij was boos op zijn God. Die hielp hem niet. Wat had je
aan een God die je niet zag, die niets voor je deed. Er gebeurde toen iets vreemds. De
aarde schudde, beefde. En die Elia wist: dat had niets met God te maken. Daarna begon het
te stormen en te bliksemen. Elia wist toen ook dat hij niet bang hoefde te zijn. Ook dat
had niets met God of met goden te maken. Daarop was het stil. Een zachte wind kwam langs.
Verder was er niets te zien. Nu wist die Elia dat je God niet kon zien maar dat God er wel
was. Het was geen boze oorlogsgod maar een God die goed voor de mensen was, zoals een
zachte wind.
Sibe stond op. Hij was kwaad. Hij vroeg of die God dan niet voor zijn mensen opkwam als
het kwaad overkwam. Of die mensen dan niet terug mochten vechten zoals de mensen hier met
hulp van Donar tegen de Saksen moesten vechten. Makkelijk, zo'n slap godje, als een
briesje. Dan had je toch meer aan Donar.
Willibrord vroeg of het klopte dat die Saksen ook tot Donar baden. Sibe knikte stil. Dat
was waar. Een andere gast stond op. Hij stelde zich voor als Thearbert. Rustig vroeg hij
wie die stille mannen en vrouwen waren die ook voor het eten hadden gezorgd. Sibe keek hem
recht in zijn gezicht aan. "Dat zijn onze slaven!" vertelde hij trots.
Nu wist Sandra waarom ze zo'n hekel had aan haar oom Sibe. Hij liet de slaven van hun dorp
altijd goed bewaken en hard werken. En Sandra wist dat deze vrouwen en mannen ook moeders
en vaders waren, die kinderen hadden. En dat die kinderen naar hun ouders verlangden.
Ze wist nog hoe Sibe met een paar andere mannen van het dorp een jaar geleden deze slaven
het dorp binnenbracht. En hoe hij opschepte dat hij nu een paar slaven voor het dorp te
pakken had genomen. Sibe dacht toen de rekening met de Saksen vereffend te hebben. Zijn
broer een slaaf, dan hij een slavenhouder, zei hij trots.
Gerlande, die eerst mee had geholpen bij de maaltijd, vroeg nu of de gasten ook bij de
Saksen, de rivier verderop, waren geweest, daar waar de grote Rijn nog één rivier was.
De gasten knikten. Sandra kwam wat dichterbij. Fryasvrouw vroeg nu of ze daar ook slaven
waren.
Thearbert liep naar Vroede. Hij liet hem nu een armband zien. Vroede riep Gerlande en
Fryasvrouw. Sandra liep met hen mee naar Vroede toe. Fryasvrouw en Sandra zagen die
armband en keken elkaar aan. Gerlande knikte. Dit is de armband van Emond, zei ze tegen
Vroede.
Nu stond Willibrord op. Sandra zag dat hij zijn stok in de hand nam. Ze zag nu pas dat
zijn stok erg mooi versierd was. Willibrord vroeg aan de mensen van het dorp of hij wat
mocht zeggen. Hij keek weer naar Vroede. Vroede knikte. Iedereen hield de adem in, ook
Sibe, ook de slaven en slavinnen.
Willibrord bedankte voor het goede eten en de gastvrijheid. "Zo herkennen wij hier
onze God," zei hij. Verder vertelde hij veel over zijn God. En over die
Christusjezus. Dat die aan een kruis gehangen was. Als een slaaf. Maar dat die Christus
ook van God was. En dat God hem liet leven. Na drie dagen werd die Christus weer levend.
Willibrord legde uit dat alle mensen van God zijn, dat mensen daarom geen slaven mogen
hebben. En hij stelde voor om de slaven van dit dorp vrij te laten. Hij zou ervoor zorgen
dat de vader van Sandra vrij kwam. Hij vertelde hoe hij een slaaf had gesproken in een
saksisch dorp stroomafwaarts, een dorp dat ook Donardorp heette. Die man had zich
voorgesteld als de fries Emond. Willibrord had hem gezegd van plan te zijn verder langs de
Rijn te trekken. Emond had hem gevraagd zijn armband mee te geven en in het friese dorp
langs de Rijn dat ook naar Donar genoemd was deze af te te geven aan Vroede en aan Vroede
te zeggen dat Emond nog in leven was.
Het was lang stil. Net zo stil als in het Freyabos, dacht Sandra. En ze moest denken aan
die stille God van Elia.
Sibe stond op. Hij nam een mes, liep naar de slaven en
slavinnen toe. Die keken angstig. Hij sneed de touwen rond hun enkels door. Sibe vroeg aan
Vroede of hij met de gasten zijn broer mocht halen.