Jakob (naar Lukas 5, 12-14a)

In een kleine stad woont Jakob. De mensen gaan in een grote boog om hem heen. Dat is niet altijd zo geweest. Vroeger verkocht hij schapevlees op de markt. Dat werd anders toen hij allemaal vlekken op zijn armen en handen kreeg. De melaatsheid, zoals de ziekte heette, breidde zich over zijn hele lijf uit. Steeds minder mensen kwamen naar zijn marktkraam. Ze waren bang dat hij hen zou besmetten. Niemand kocht meer vlees bij hem. Al gauw kon hij de huur van zijn huis niet meer betalen.

Met het weinige dat hij nog bezat trok hij naar de krottenwijk aan de rand van de stad. In een hut van klei en stro vindt hij onderdak. Als zijn buurvrouw Mirjam hem over Jezus vertelt, krijgt Jakob weer hoop. Jakob heeft gehoord dat Jezus mensen aanraakt en weer op de been zet. Mensen zoals hij, waar niemand mee te maken wil hebben. En nu is die Jezus op de markt van zijn stad! Jakob twijfelt geen seconde. Hij snelt naar de plek waar hij als schapevleesverkoper een belangrijke man was.

In de verte hoort hij Jezus al praten. De mensen hangen aan zijn lippen. Jezsu zegt: “Je hoeft niet bang te zijn.” Voor Jakob is het net of Jezus dat tegen hem zegt. De mensen maken plaats voor Jakob. Nu staat hij oog in oog met Jezus. Jezus ziet hem. Jezus geeft hem een hand. In geen jaren is hij door iemand aangeraakt. Jezus steekt de hand naar hem uit. Jakob is niet bang. Als Jezus hem een hand geeft, weet hij dat hij in goede handen is.

De vrienden van Jezus komen er ook bij. Jakob weet niet hoe hij heeft. Sinds hij ziek is hebben de mensen niks meer met hem te maken willen hebben. Maar Jezus en zijn vrienden praten en lachen met hem. Ze delen hun eten met hem en ze nemen hem mee naar de bron. Daar frist hij zich op. Als Jezus en zijn vrienden weer verder gaan, zwaait Jakob ze na. Hij voelt zich beter.