In een
kleine stad woont Jakob. De mensen gaan in een grote boog om hem heen. Dat
is niet altijd zo geweest. Vroeger verkocht hij schapevlees op de markt. Dat
werd anders toen hij allemaal vlekken op zijn armen en handen kreeg. De
melaatsheid, zoals de ziekte heette, breidde zich over zijn hele lijf uit.
Steeds minder mensen kwamen naar zijn marktkraam. Ze waren bang dat hij hen
zou besmetten. Niemand kocht meer vlees bij hem. Al gauw kon hij de huur van
zijn huis niet meer betalen.
Met het weinige dat hij nog bezat trok hij naar de krottenwijk aan de rand
van de stad. In een hut van klei en stro vindt hij onderdak. Als zijn
buurvrouw Mirjam hem over Jezus vertelt, krijgt Jakob weer hoop. Jakob heeft
gehoord dat Jezus mensen aanraakt en weer op de been zet. Mensen zoals hij,
waar niemand mee te maken wil hebben. En nu is die Jezus op de markt van
zijn stad! Jakob twijfelt geen seconde. Hij snelt naar de plek waar hij als
schapevleesverkoper een belangrijke man was.
In de verte hoort hij Jezus al praten. De mensen hangen aan zijn lippen.
Jezsu zegt: “Je hoeft niet bang te zijn.” Voor Jakob is het net of Jezus dat
tegen hem zegt. De mensen maken plaats voor Jakob. Nu staat hij oog in oog
met Jezus. Jezus ziet hem. Jezus geeft hem een hand. In geen jaren is hij
door iemand aangeraakt. Jezus steekt de hand naar hem uit. Jakob is niet
bang. Als Jezus hem een hand geeft, weet hij dat hij in goede handen is.
De vrienden van Jezus komen er ook bij. Jakob weet niet hoe hij heeft. Sinds
hij ziek is hebben de mensen niks meer met hem te maken willen hebben. Maar
Jezus en zijn vrienden praten en lachen met hem. Ze delen hun eten met hem
en ze nemen hem mee naar de bron. Daar frist hij zich op. Als Jezus en zijn
vrienden weer verder gaan, zwaait Jakob ze na. Hij voelt zich beter.