KIKKER |
| Het was bijna zomer. Het bos was vol
geluiden. Elk vogeltje zong zoals het gebekt was. Het leek wel of iedereen
het druk had. “Waar ben jij mee bezig?”vroeg kikker aan mier, die zich verveelde. “MGPM” antwoordde mier, terwijl hij vlug doorliep. “Ik kan je niet verstaan”, zei kikker, die achter mier aanholde, “als je nu eens dat takje uit je mond doet”. Mier bleef staan. Hij legde het takje op de grond. “We zijn bezig met de uitbreiding van onze mierenhoop”, zei hij. “Ik moet snel weer verder, want het is een heel werk”. Mier pakte het takje weer op en liet kikker achter. “LMiNW”, hoorde kikker nog. “Zou dat ’loop niet in de weg’ kunnen betekenen?“ vroeg kikker zich mismoedig af. Hij voelde zich op de een of andere manier in de steek gelaten. In de verte trompetterde olifant. “Zou olifant blij, verdrietig of boos zijn. Ik kan niet altijd begrijpen wat olifant bedoelt met dat getrompetter”. Kikker liep in de richting van het getrompetter. Onderweg kwam hij vlinder tegen maar die hoorde niet eens dat kikker goedendag zei. Ze had het te druk met spelen. Kikker nam een enorme sprong en kwam vlak bij de mierenhoop terecht. Verbaasd bleef hij naar het gekrioel zitten kijken. ‘Je valt wel erg op als je zo de hoogte in gaat’, waarschuwde hij. “als dat maar goed afloopt”. Maar daar luisterde niemand naar. “Wat een gezwoeg en geploeter. Ik heb met mier te doen, ” dacht kikker toen diverse mieren bezweken onder de zware last van takjes en ander materiaal. “Mojè? vroeg mier die naast kikker opdook. “Wat zeg je nu weer?”zei kikker geïrriteerd, “het is gek, maar sinds je met die mierenhoop bezig bent kan ik je moeilijk verstaan”. “Sorry”, zei mier, “ik vroeg of je het mooi vond”. “Niet bepaald”, zei kikker bedachtzaam, “het zou mijn huis niet zijn. Bovendien zou ik gek worden van al dat gekrioel, maar ja ik ben kikker en geen mier. Is het niet erg kwetsbaar? Als ik jullie was zou ik niet zo op een kluitje gaan zitten. Dat lijkt me erg benauwd. Je kunt je beter verspreiden. Er is ruimte genoeg”. Op dat moment begon de grond te beven. Het nest schudde alle kanten op. Er was geen houden meer aan. De bovenste mieren vielen van schrik naar beneden. Er brak een ware paniek uit. Niemand luisterde meer naar iemand. Iedereen botste tegen elkaar op en rende alle kanten op. Kikker sprong van schrik de lucht in en kwam naast eekhoorn op een tak terecht. Hij had de grootste moeite om niet meteen weer naar beneden te vallen. “Olifant natuurlijk weer”, zuchtte eekhoorn. “Die dendert zo maar overal doorheen. Jammer van al dat werk”. Eekhoorn schudde haar kop. De zon ging onder. Op de puinhoop zat mier versuft om zich heen te kijken. “Het spijt mij”, zei olifant, “het was niet mijn bedoeling. Ik ben zo onhandig, zie je. Zal ik helpen om het weer op te bouwen?” Mier schudde zijn hoofd. “Hoenie”, mompelde hij. Olifant liet zijn oren vervaarlijk wapperen. Mier moest zich stevig vasthouden om niet om ver te vallen. Voorzichtig begon olifant takken op een grote stapel te leggen en toen kikker en eekhoorn langs kwamen lag er al een hele berg. “Ik heb opeens een idee”, zei kikker, toen hij de stapel zag, “laten we feest vieren om elkaar op te vrolijken na deze ramp. Laten we iedereen uitnodigen voor een picknick. Dan maken we een groot kampvuur en dansen tot diep in de nacht. Wat vind jij, mier?” Mier gaf geen antwoord. “Ik ben moe, doodmoe”, sprak hij uitgeput. “Dat begrijp ik’, zei eekhoorn. “Ik ga taart halen en iedereen die ik tegenkom uitnodigen voor het rampfeest. Jullie hebben wel een opsteker verdiend. Je knapt vast op van mijn honingkoekjes en beukennootjestaart”. Niet lang daarna was het feest in volle gang. “IKANIMEE”, zei mier met volle mond, toen de maan allang opgekomen was. Kikker haalde zijn schouders op en keek eekhoorn veelbetekenend aan. Olifant trompetterde vol genoegen. |