Koning David zit op zijn troon. Hij denkt aan vroeger. Vroeger, toen al
zijn kinderen nog samen speelden in de paleistuin. Toen zijn kinderen nog
vrienden waren. Die tijd is nu allang voorbij. Amnon, een van zijn zonen, is
dood. Hij heeft ruzie gehad met zijn broer Absalom. Ze hadden al lange tijd
ruzie, om hun zusje Tamar. Amnon had haar heel slecht behandeld, en dat
heeft Absalom zo kwaad gemaakt, dat hij Amnon heeft vermoord.
Joab
Die moord heeft vader David natuurlijk kwaad en verdrietig gemaakt. Nadat
hij Amnon had vermoord, is Absalom gevlucht. Drie jaar geleden is dat nu, en
in al die jaren heeft vader David hem niet meer willen zien. De laatste tijd
denkt David vaak aan Absalom. Hij mist Amnon, maar Absalom mist hij ook.
Diep in zijn hart zou hij Absalom graag weer eens willen zien.
Niemand heeft in de gaten waarover koning David zo zit te piekeren. Niemand?
Jawel, zijn trouwe generaal Joab, die heeft er wel een vermoeden van. Eerst
weet hij niet hoe hij David kan helpen, maar later bedenkt hij toch een
plannetje. Hij roept een hele wijze vrouw bij zich, die ook nog goed kan
toneelspelen. Met haar bespreekt hij het plan. Ze moet naar koning David
gaan met rouwkleren aan, zodat het lijkt dat ze verdriet heeft om iemand. En
dan moet ze de koning wat vragen.
Spreekuur
De volgende dag houdt David spreekuur. De mevrouw komt binnen en de koning
vraagt wat er met haar is. “Ach koning, ik had twee zonen, die op een dag
zo’n ruzie met elkaar kregen, dat de ene de andere doodsloeg. Ik mis mijn
ene zoon, koning, maar ik heb de andere altijd beschermd. Nu is mijn familie
kwaad op me, want ze vinden dat ik mijn zoon aan hen moet uitleveren. Dan
kunnen ze hem doden, als straf. En natuurlijk maken ze dan ook meer kans op
de erfenis. Maar sire, ik houd zoveel van mijn zoon, ik kan hem toch niet
dood laten maken? Dan heb ik niets meer, hij is alles wat ik heb. En ook de
naam van mijn man, die dood is, zal dan niet meer voortbestaan.” “Maar
natuurlijk kan dat niet,” zegt David verontwaardigd. “Ga maar naar huis, dan
zal ik ervoor zorgen dat het goed komt.”
Lichtje
Maar de vrouw is nog niet klaar. “Durft u dat bij God te zweren?”, vraagt ze
verder. “Natuurlijk,” zegt de koning, “bij de naam van God, niemand zal jouw
zoon een haar krenken.” “Mag ik u nog iets vragen sire?”, vraagt de vrouw.
“Waarom doet u zoiets eigenlijk niet voor uw eigen zoon. Al drie jaar is hij
verbannen, en u hebt hem niet willen zien. Dat is niet wat God wil. Hij wil
een goede plaats op aarde voor iedereen. En uw zoon Absalom hoort hier, bij
u.”
David kijkt eerst verbaasd. Maar dan gaat hem een lichtje op. “Dit is zeker
werk van Joab?”, vraagt hij aan de vrouw. “Inderdaad sire”, antwoordt die.
“Joab heeft dit wijze plan bedacht. Maar u, koning, u bent nog veel wijzer
dan hij. U doorziet alles wat er op deze wereld gebeurt.”
Duurt lang
Kort daarna gaat generaal Joab op weg om Absalom te halen. Als hij in
Jeruzalem aankomt, kijkt David net naar buiten. Hij ziet Absalom, wat is hij
groot en knap geworden. En wat een prachtige kinderen heeft hij! Toch wil
David Absalom nog niet spreken. Absalom zit in zijn eigen huis, en David in
zijn eigen paleis. Het duurt lang, heel lang.
Absalom vraagt zich wel eens af wat hij eigenlijk in Jeruzalem te zoeken
heeft. Twee lange jaren woont hij hier nu, en nog steeds heeft hij niets van
hem gehoord. En hij zou zo graag zijn vader weer eens zien. Wacht eens, die
Joab, die generaal van zijn vader, zou die niet iets voor hem kunnen doen?
Absalom roept een knecht en vraagt hem Joab uit te nodigen voor een bezoek.
Maar Joab laat niets van zich horen. Absalom wordt nu ongeduldig, en stuurt
zijn knecht nog een keer. Maar weer hoort hij niets.
Brand
Helemaal ten einde raad is Absalom. “Steek dan het stuk land hiernaast, dat
van Joab is, maar eens in brand”, zegt hij tegen zijn knecht. “Dat zal hem
wel leren mij zo te negeren.” En inderdaad, Joab staat meteen op de stoep.
“Wat heb je nou gedaan?”, roept hij kwaad. “Je wou telkens maar niet komen,
en ik wou je iets belangrijks vragen!”, schreeuwt Absalom terug. “Wat dan?”,
vraagt Joab verbaasd. “Ik wil dat je mijn vader vraagt om me terug te zien.
Ik zit hier maar te wachten, ik kon net zo goed verbannen blijven. Als vader
nog steeds kwaad op me is, moet hij me maar veroordelen. Dan heb ik
tenminste zekerheid.”
Joab gaat naar de koning en dan, eindelijk, wil David Absalom ontvangen.
Absalom buigt eerst diep voor zijn vader. Maar dan vallen ze elkaar in de
armen. Ze hebben elkaar weer gevonden.