Het klooster
De indeling van het klooster

Plattegrond KloosterModelplattegrond
De indeling van een klooster moest gebeuren op basis van een modelplattegrond. Daarop stond dat drie gedeelten van het klooster bestemd waren voor ‘de ziel, de geest en het lichaam’ van de monniken. Het vierde deel was bestemd voor de lekenbroeders. Voor de ziel van de monniken werd een kerk gebouwd, op de plek rond de kloostergang (15). De gedeelten bedoeld voor het geestelijk leven waren de sacristie (3),
kapittelzaal (16), het parlatorium, werkkamers en het scriptorium (22). De keuken (28), voorraadkamers (33), wasruimte, de refter (31) en de latrines (19 + 36) waren bedoeld voor de lichamelijke verzorging. Later kwamen er vleugels bij met een ziekenzaal, vertrekken voor novicen, een kerkhof, een aparte leefruimte voor de abt (de leider van de kloostergemeenschap) en de bibliotheek. De modelplattegrond kon soms aan de plaatselijke omstandigheden worden aangepast. Zo kon er een maalderij, een smidse, een graanschuur, een bakkerij, een brouwerij en stallen bij het klooster worden gebouwd. Ook hadden veel kloosters een kruidentuin, voor geneeskrachtige kruiden, en een boomgaard. Rond het complex stond een muur, waarachter de landerijen van het klooster lagen. Daar lagen vaak boerderijen, bossen en weilanden.
KloostergangDe kloostergang
De kloostergang ligt rond een binnenplaats in het midden van het klooster. Hij bestaat meestal uit een overdekte omloop rond een hof. De gang geeft toegang tot verschillende vertrekken en vleugels van het klooster.
AbdijkerkDe abdijkerk
Volgens de Regel van Benedictus was het klooster de ‘leerschool voor het dienen van de Heer’. De kerk is daarom de belangrijkste plaats in het klooster. De kerk heeft meestal een kruisvormige plattegrond en ligt in aan de noordkant van het klooster, om de andere vleugels te beschutten tegen de noordenwind. De kerk heeft weinig versiering, maar straalt wel rust, troost en vrede uit. Er is een hoofdingang met daarbij nog vijf ingangen die allemaal een speciale functie hebben. Deze deuren bevinden zich in het breedste gedeelte van de kerk, de dwarsbeuk. Aan de linkerkant is een deur die toegang geeft tot het kerkhof, aan de rechterkant zijn deuren die toegang geven tot de sacristie en de slaapzaal.
De sacristie
In de kamertjes van de sacristie liggen spullen die nodig zijn voor de altaardienst. Vaak zijn het liturgische voorwerpen zoals de stola die door priesters worden gedragen tijdens de mis en de kelk waaruit wordt gedronken tijdens de eucharistieviering. De misboeken zijn daar ook te vinden.
KapittelzaalDe kapittelzaal
Deze rechthoekige of vierkante zaal ligt in de aan de oostkant van het klooster. Er wordt gepreekt, voorgelezen en onderwijs gegeven. De zaal heet kapittelzaal, omdat er elke morgen een van de 73 ‘kapittels’ (hoofdstukken) uit de Regel van Benedictus wordt voorgelezen.
Het parlatorium
In het parlatorium kunnen de kloosterlingen lezen, mediteren, naar preken luisteren. In dit vertrek worden ook belangrijke mededelingen gedaan, die het hele klooster aangaan.
De refterDe refter
De refter is de eetzaal en ligt naast de keuken, tegenover de kerk, in het deel dat bestemd is voor de lichamelijke behoeften van de kloosterlingen. Het is een grote zaal, omdat ze allen tegelijkertijd met elkaar eten.
ScriptoriumHet scriptorium
In dit vertrek konden monniken teksten overschrijven en versieren, ze werkten zogezegd als kopiisten. Het scriptorium was voor weinig mensen toegankelijk, zodat de kopiisten ongestoord konden werken. Het vertrek wordt vandaag de dag als studeerkamer of als leeszaal gebruikt.
KlokDe porterie en het gastenverblijf
In de porterie zetelde de poortwachter of portier. Hij is verantwoordelijk voor de veiligheid van het klooster, en bepaalt wie er wel en niet naar binnen mag. Het gastenverblijf staat onder leiding van een gastenpater. Benedictus wilde dat de kern van het klooster afgezonderd lag van de rest van de wereld, maar de deuren moesten wijd open blijven staan voor mensen van buiten. De porterie vormt het ontmoetingspunt met de buitenwereld. Het gastenverblijf voorziet in de behoeften van degenen die bij de kloosterpoort aankloppen.
De kloosterlingen

Monniken en nonnen
Het runnen van een groot klooster is geen eenvoudige zaak. De kloosterlingen willen veel tijd aan God besteden en zorg dragen voor hun medebroeders en –zusters. Uiteraard moet er ook brood op de plank komen. De dagelijkse gang van zaken gaat gewoon door. Een klooster is daarom goed georganiseerd, met een algemeen bestuur, een goede taakverdeling en allerlei instellingen bijvoorbeeld voor de medische zorg. De belangrijkste taken op een rij:

  • De abt (m) of abdis (v) heeft de leiding over het klooster en is gekozen door de kloostergemeenschap. Hij heeft de taak om de gemeenschap te beschermen, onderwijzen en discipline bij te brengen.
  • De prior (m) of priores (v) is plaatsvervangend leider en zorgt dat de orde in het klooster bewaard blijft. Hij is gekozen door de abt of abdis.
  • De onderprior (m) of –priores (v) helpt de prior bij de liturgie. Hij is gekozen door de abt of abdis.
  • De kellenaar (of keldermeester) zorgt dat er genoeg te eten en drinken is en houdt de voorraad in de gaten. Hij beheert de bezittingen van het klooster.
  • De gastenpater (of hospitaler) zorgt voor de gasten. Hij is ondergeschikt aan de kellenaar.
  • De koster beheert de kerk en houdt de tijd en de dagindeling bij.
  • De cantor (of koorleider) is verantwoordelijk voor de muziek en beheert de kerkboeken. Hij oefent met de leden van het klooster in het eenstemmig kerkgezang.
  • De portier is verantwoordelijk voor de hoofdingang van het klooster en de veiligheid van de kloosterlingen.
  • De ziekenbroeder (of infirmarius) leidt de ziekenzaal en verpleegt de zieken.
  • De bibliothecaris beheert alle boeken, behalve die onder beheer van de cantor.
  • De novicemeester of –lerares begeleidt de novicen (aankomende monniken of nonnen) en houdt toezicht op hen.
  • De kok zorgt voor de dagelijkse maaltijden.
  • De archivaris beheert het archief. Hij verzamelt documentatie die van belang zijn voor het klooster.
  • De econoom behandelt de financiële zaken, onder meer de boekhouding.
ZonnewijzerDe dagindeling
Volgens het horarium, dat zijn de richtlijnen voor de dagindeling volgens de Regel van Benedictus, moeten alle bezigheden van de monniken plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang. Maar omdat de dagen ’s winters korter zijn en ’s zomers langer, wisselt het horarium per jaargetijde. De voornaamste bezigheid van de monniken bestaat uit de viering van Gods werk, het opus Dei.
Middernacht De monniken worden gewekt voor de eerste kerkdienst van de nieuwe dag, de Metten (morgenzangen)
01.00 uur De monniken blijven in de kerk voor de tweede dienst van die dag, de Lauden (ochtendlofprijzingen)
02.00 uur De monniken gaan terug naar bed. Ze kunnen gaan slapen, de heilige schriften lezen of bidden
07.00 uur De monniken worden gewekt en keren terug naar de kerk voor een korte dienst, de Priem (eerste gebedsuur)
07.30 uur Na de Priem blijven enkele monniken in de kerk om de eerste mis van die dag op te dragen. De monniken die de mis niet bijwonen gaan zich wassen en hun kleren verschonen
08.00 uur Ontbijt. Op vastendagen gaan de monniken aan het werk zonder ontbijt
08.30 uur Naar de kerk voor de tweede mis, dan naar de Kapittelkamer
09.30 uur Na de vergadering in de Kapittel zijn de jongere monniken vrij om te wandelen en met elkaar te praten in de kloostergangen
10.00 uur Terug naar de kerk voor de Hoogmis, de plechtigste dienst, met hymnen en andere gezangen
11.00 uur Middagmaal. De monniken luisteren naar de schriftlezingen. Spreken was verboden
11.30 uur Oudere en zieke monniken hebben toestemming om een uur te gaan rusten
12.30 – 17.00 uur De monniken gaan aan het werk
17.00 uur (in de zomer 18.00 uur) Naar de kerk voor de Vespers (avondzangen) en Collatie (teksten lezen)
18.00 uur (in de zomer 19.00 uur) Na het avondeten kunnen de monniken zich terugtrekken in de kloostergangen of in de tuinen
19.00 uur (in de zomer 20.00 uur) De laatste dienst, de Completen (avondgebed), waarna de monniken naar bed gaan.
Hervormingen

Nieuwe kloosterlingen
De kerk had aan het einde van de elfde eeuw veel macht gekregen in West-Europa. Kloosters bezaten veel lectuur en mensen die konden schrijven. De adel daarentegen had weinig kennis in huis. Voor de edelman werd het een prestige om een abdij in je bezit te hebben. De abdij kreeg in ruil daarvoor een deel van zijn goederen. De edelman investeerde zo ook in zijn zielenheil, want de monniken zorgden er wel voor dat de Satan hem niets meer kon aandoen. Daar stond tegenover dat nieuwe kloosterlingen bijna aansluitend uit de adelstand afkomstig waren.

Abdij van Cluny voor de verwoesting (maquette)Abdij van Cluny
In de negende eeuw schreef de monnik Benedictus van Aniane een herziene versie van de Regel van Benedictus. De machtige hertog Willem van Aquitanie stichtte de abdij van Cluny in 910, met de herziene regels als leiddraad. De hertog wilde dat de monniken zoveel mogelijk voor hem en zijn familie baden. Hij schonk hen landerijen en lijfeigenen, zodat de monniken zoveel mogelijk tijd in de kerk konden doorbrengen. Ze schreven daar prachtige psalmen en voerden die ook uit. De monniken van Cluny leefden voornamelijk binnen de kloostermuren en hielden zich zo min mogelijk met de buitenwereld bezig. Deze beschaafde, artistieke leefwijze beviel hen erg goed. Ze waren meestal afkomstig uit gegoede families en waren niet gewend aan werken op het land. Benedictus van Aniane wilde dat de monniken zich vrijwel de hele dag aan hun religieuze plichten wijdden, in lange diensten met gezangen.

Abdij van Citeaux in 1720 (maquette)De Cisterciënzers
In 1098 verliet een groep monniken hun Benedictijnenklooster om naar een afgelegen plaats met de naam Citeaux (Frankrijk) te trekken. Ze waren ongelukkig over de rijkdom en grootsheid van de Benedictijnengemeenschappen, en wilden weer terugkeren naar de eenvoudige leefwijze van de eerste christelijke monniken. De Regel van Benedictus werd zeer strikt toegepast en ontdaan van de gebruiken die er in de loop der eeuwen aan waren toegevoegd. Zo brachten deze monniken minder tijd door in de kerk, en meer op het land. De kerken die ze bouwden moesten eenvoudig zijn, zonder veel versiering, en hun erediensten eenvoudig maar opwekkend. Rond 1119 was deze beweging uitgegroeid tot een nieuwe kloosterorde – de Cisterciënzers – met een heel nieuwe regelgeving, de Charta Caritatis (‘Handvest voor de christelijke liefde’) werd genoemd. Het handvest was nodig bij de uitbreiding van het klooster met vier dochterkloosters. Naastenliefde en eensgezindheid moest de gemeenschappelijke basis van de Cisterciënzerbeweging vormen bij het overdragen van de gebruiken die in Citeaux waren vastgelegd.

FranciscusDe Kartuizers
Ook andere monniken brachten belangrijke veranderingen in het klooster. Zo richtte Bruno de Kartuizer uit Keulen in 1084 een zeer strenge hermenieten orde op. Een hermeniet is een kluizenaar; een monnik die alleen woont, in strikte afzondering van de wereld. Bruno vond dat de bestaande kloosters teveel leken op gewone, van alle comfort voorziene huizen van gegoede burgers. Deze beweging kreeg de naam van de oprichter: de Kartuizers. Zij woonden in aparte cellen en ontmoetten elkaar alleen in de kerk. Het was er, op het uitspreken van het gebed en het gezang van de hymnen na, altijd stil. De meesten werkten er als handwerkslieden.
DomenicusTegen de 13e eeuw kwam er meer kritiek op de Regel van Benedictus. Sommigen vroegen zich zelfs af of monniken en nonnen wel nodig waren. Twee opmerkelijke mannen, Fransiscus (1182 – 1226) en Domenicus (1170 – 1221) vonden van niet. In plaats daarvan richtten zij broedergemeenschappen op. De broeders leefden onder de gewone mensen en onderwezen en predikten het christelijk geloof. Ze noemden zich de Franciscanen of Domenicanen, afhankelijk van hun oprichter. Overal waar zij kwamen, trokken de broeders
grote menigten aan.
Tegen de 15e eeuw werden vele grote kerken gebouwd (door vrijgevige beschermheren) om de uitgebreide schare toehoorders van de diensten te kunnen herbergen.

De Augustijner Kanunniken en Kanonessen waren groepen mensen die verbonden waren aan de katholieke kerken. Ze leefden in gemeenschappen die ‘colleges’ werden genoemd. In 1059 vond er een reorganisatie plaats. Ze wilden weer leven volgens de regels van Augustinus, bisschop uit de vierde eeuw.

In 1120 stichtte Norbertus van Gennep te Premonte (Frankrijk) de orde van de Premonstratenzer, ook wel Norbertijnen genoemd. Ook zij leefden in colleges, meestal in de steden, deden maatschappelijk werk en waren zendeling.