Het klooster Hoe het allemaal begon |
De
eerste christenen De
Middeleeuwse nonnen en monniken zijn de volgelingen van Jezus Christus, de grondlegger van
het christendom. Hij werd in het jaar 33 gekruisigd in Judea (het tegenwoordige Israël,
Jordanië en Palestina). Mensen die hem persoonlijk hadden gekend en waren geraakt door
zijn boodschap, vertelden het door aan anderen. Een aantal gingen bewust naar Europa om de
mensen te vertellen van Jezus boodschap, denk maar aan Petrus en Paulus. Zij hoopten
dat de mensen volgelingen van Jezus werden, net als zij. Het aantal volgelingen groeide zo
wereldwijd, maar ze werden vaak vervolgd. De overheid moest niets van deze christenen
hebben. Van de eerste tot en met de derde eeuw zochten christenen elkaar soms op en vormden zich tot een leefgemeenschap. Ze leidden samen een leven van armoede en zuiverheid volgens de leer van het evangelie, maar zonderden zich niet af van de wereld. In deze jaren wilden ze openlijk getuigen van hun geloof, ook al liepen ze het risico van vervolging. In 313 wordt het christendom in Europa de staatsgodsdienst. Aan de vervolgingen kwam een einde, en een christen hoefde zich niet meer te laten martelen en doden om heilig te worden. De officiële erkenning van het christendom, zorgde er ook voor dat christenen het niet meer zo nauw namen met de bijbelse principes. Er waren nieuwe getuigen van God nodig en dat werden de monniken. |
Ontstaan van het kloosterlevenSint Antonius van Egypte (251 356) geldt als de vader van het christelijk kloosterleven. Hij had zich teruggetrokken in de woestijn en leidde daar een streng en sober leven, dat in teken stond van het gebed. Zo leefden de eerste monniken en nonnen ook. Het waren kluizenaars, die eenzame toevluchtsoorden zochten op het verlaten platteland, die zuiver, gewijd en eenvoudig wilden leven. Ze wilden zich onttrekken aan de samenleving, waar veel mensen alleen maar uit waren op eigenbelang. Niet iedereen kon zon eenzaam kluizenaarsleven aan. Zij gaven de voorkeur aan een gemeenschap, met een geestelijk leider die ze om raad konden vragen. Wel had ieder zijn/haar eigen cel en de dagen werden afgezonderd in gebed doorgebracht. In de loop van de vierde eeuw verbreidde het kloosterleven zich van het Midden-Oosten naar het Westen. Met name in Frankrijk, Italië, Spanje en Ierland werden veel kloosters gebouwd. De kloosterlingen leefden zonder algemene richtlijnen, maar hierin kwam verandering toen de kerk in Rome het voor het zeggen kreeg. Het aantal christenen in Europa was namelijk enorm gegroeid. Er moest een kerk komen dat als een soort hoofdkantoor diende voor alle kerken in Europa. Vanuit de kerk in Rome werd voorgeschreven wat het christendom inhield en hoe de godsdienst moest worden beleden, zodat er geen fouten of vergissingen konden worden gemaakt. |
Regel van BenedictusDe Italiaanse abt Benedictus van Nursia besloot in het jaar 520 leefregels voor kloosterlingen op te stellen, die in het kort neerkwamen op Bid en Werk (Ora et Labora). "Ik heb deze Regels geschreven, zodat wij monniken die de regels volgen in onze kloosters, kunnen laten zien dat er goedheid schuilt in onze levens, en een begin van heiligheid". Benedictus vond in de bijbel het vers Zevenmaal heb ik tot U gebeden, Heer, en droeg daarom zijn monniken op om zeven maal per dag bij een kerkdienst aanwezig te zijn. In de tijd dat er geen dienst was, moesten de monniken arbeid verrichten. Sommigen mochten studeren of teksten overschrijven, anderen bewerkten het land. Benedictus verbood de monniken het klooster te verlaten. Ze mochten geen bezittingen hebben, en moesten edelmoedig, barmhartig, rein, kuis en gehoorzaam zijn. De nieuwe regels werden vaak genegeerd, maar er was tenminste een norm waarnaar de kloosterlingen moesten streven. Omdat de Benedictijner monniken hun klooster niet mochten verlaten, verklaarde Benedictus dat hun kloosters alles moesten bevatten wat ze nodig hadden om een goed en godsdienstig leven te kunnen leiden. Zo kwam het dat kloosters uit vijf verschillende vertrekken bestonden met:
Voor het kloosterleven zijn deze vijf vertrekken of vleugels onmisbaar. Ze liggen rondom de kloostergang, het hart van het klooster. In de loop der jaren werden de kloosters steeds groter en voorspoediger, omdat ze land, geld en goederen kregen van rijke mensen. Zij hoopten door hun gaven in de gunst bij God te komen. |