HET ZONNELIED
Uitgerekend in de tijd na de stigmatisatie einde 1224, begin 1225 schrijft Franciscus zijn Zonnelied. Het lied vertelt over de liefde van Franciscus voor de natuur dat voorkomt uit zijn diepe geloof in God. In het Zonnelied prijst hij de schoonheid en goedheid van de stoffelijke wereld, als openbaring van de schoonheid en goedheid van God.

Het ZonneliedFranciscus en de vogels
Hoogste, almachtige, goede Heer
U zij lof en roem en eer en alle zegen.
Geen mens is waardig Uw naam te noemen.

Wees geloofd, mijn Heer, met al Uw schepselen,
En vooral met broeder zon, de heer
Die de dag brengt en ons door zichzelf verlicht.
En schoon is hij en stralend in alle schittering.

Wees geloofd, mijn Heer,
Om zuster maan en om de sterren,
Die Gij aan de hemel hebt geschaard,
Helder, kostelijk en schoon.

Wees geloofd mijn Heer, om broeder wind,
Om lucht en wolken en het mooie weer, om ieder weer
Waardoor Gij Uw schepselen onderhoudt.

Wees geloofd, mijn Heer, om zuster water,
Die zozeer nuttig is en nederig, kostelijk en kuis.

Wees geloofd, mijn Heer, om broeder vuur,
Door wie Gij de nacht verlicht;
Mooi is hij en vrolijk en machtig en sterk.

Wees geloofd, mijn Heer,
Om onze zuster, moeder aarde,
Die ons voedt en ons behoedt
En velerlei vruchten draagt,
Bonte bloemen ook en groen.

Loof en zegen mijn Heer
En dank en dien Hem in grote deemoed.

Lees verder: Franciscus sterft