Franciscus zou volgens de
vertellingen in conflict zijn geraakt met de paus en zijn hof, omdat de
Kerk de oorspronkelijke idealen van de heilige vervormd en vervalst had en
omdat ze de orde dienstbaar hadden gemaakt aan eigen doelstellingen. Dit
zou vooral een schaduw hebben geworpen op de laatste levensjaren van
Franciscus, die zich daartegen met woord en daad verzette. Maar deze
tragedie heeft nooit plaatsgevonden. Tijdens Franciscus’ laatste
levensjaren werd hij gekweld door lichamelijk en psychisch leed, maar de
Kerk was hiervan niet de oorzaak. Zware oog-, maag-, milt- en leverziekten
en waarschijnlijk malaria berokkenden hem ondraaglijke kwellingen. Wat
Franciscus nog meer pijn deed, was dat talrijke broeders – de orde telde
in 1221 al enkele duizenden volgelingen – hun roeping ontrouw werden en
eigen wegen insloegen, zonder zich om de plicht van de gehoorzaamheid te
bekommeren. Franciscus’ bezwijkt niet aan zijn pijn en kwellingen, maar
trekt zich na zijn ziekbed terug in de bergen. Daar gebeurt hem iets zeer
bijzonders: op het feest van de Kruisverheffing, 14 september, ’s nachts,
daalt een serafijn met vleugels van vuur uit de hemel neer op Franciscus.
Hij is op dat moment diep in gebed verzonken. Het serafijntje prent de
tekenen van het lijden in zijn vlees en de wond van Christus’ lansdoorsteking
in zijn rechterzijde. Deze vormt de zichtbare stigmata (14 september
1224). |