| FRANCISCUS GROEIT OP |
Franciscus wordt in september 1181 of
begin 1182 geboren in Assisi, in het midden van Italië, bij welgestelde
ouders. Zijn vader is op de dag van zijn geboorte niet thuis, maar er
klopt wel een oude man aan de deur, die om een aalmoes vraagt. Franciscus’
moeder Pica geeft hem wat hij vraagt en hoopt dat hij snel weer weg gaat.
Maar hij wil eerst nog de kleine baby in zijn armen houden. Hij moet lang
aandringen bij Pica, maar als hij het kind eindelijk in zijn armen heeft,
begint hij te profeteren. Hij verkondigt dat deze pasgeboren jongen eens
een allerdeugdzaamst mens zal worden.Pica laat haar kind dopen en geeft hem de naam Giovanni (Johannes) mee. Zijn vader Pietro di Bernadone komt een aantal dagen later terug van zijn zakenreis. Hij is woedend dat de baby niet de naam Franciscus (Fransman) heeft gekregen. Zijn ouders hebben een Franse nationaliteit en met name Pietro is daar erg trots op. Ongeacht zijn doopnaam, krijgt de baby de naam FRANCISCUS. Een goed humeur De baby groeit op tot een slanke, bevallige jonge heer met een indringende en zachte stem die indruk weet te maken bij mannen en vrouwen in zijn omgeving. Hij staat bekend om zijn altijd en eeuwig goede humeur en levensvreugde. Het lijkt alsof niemand zo gelukkig is als hij. Vaak reist Franciscus met zijn vader mee naar Frankrijk om zaken te doen. Pietro is lakenkoopman in een tijd dat er in Italië hongersnood heerst. Frankrijk is daarentegen het land van melk en honing. Als Franciscus veertien jaar wordt, begint hij zijn vader mee te helpen in de zaak. Al spoedig blijkt hij een geboren zakenman te zijn. Franciscus ziet er namelijk goed uit en hij beheerst de verleidingskunsten en spreektaal tot in de puntjes. De winkel van zijn vader gebruikt hij min of meer als toneel waarop hij zich oefent in het betoveren van mensen. Zijn oefeningen gebruikt hij voor het eigenlijke theater: de stad. Italië leeft namelijk op straat. Zij kent jaarlijks 150 feestdagen en Franciscus laat vrijwel geen feestdag onbenut aan zich voorbij gaan. Hij speelt graag de troubadour en zingt er Provençaalse liedjes bij. Zodra hij begint te spelen, komen zijn vrienden aanrennen. Het zijn er tallozen! Samen gaan ze eten, dansen, muziek maken tot diep in de nacht. De stad spreekt er schande van, maar niet hardop. Iedereen mag hem namelijk graag. Franciscus is zeer geliefd bij de mensen. Zijn vrienden zijn bereid hem overal te volgen. Wat zien ze toch voor opmerkelijks in deze inmiddels vijftienjarige? Hij ziet er goed uit, dat wel. Toch is hij niet oogverblindend mooi, op zijn levendige ogen na. Franciscus bezit iets, dat zich niet laat omschrijven. Het geheim is vermoedelijk een onuitblusbare vreugde, en dat is niet alleen voor het leven… Hij bezit nog een dieper liggende vreugde, waarvan hij zelf de aard niet goed van begrijpt. Iemand houdt uitzinnig veel van hem. Op een geheimzinnige manier moet hij dat hebben gevoeld. In zijn jonge jaren uitte hij deze vreugde voornamelijk door lachuitbarstingen en grappen maken. Waarom ziet hij iedere dag als een feestdag? Kent hij dan nooit droefheid of verveling? Zijn vrienden vinden het niet raar. Deze jongen is immers schatrijk en leeft een weelderig leven. Franciscus denkt ook niet echt na over de kloof tussen hem en het deel van de Italiaanse bevolking, dat verkeert in armoede en hongersnood. Dwaze streken Zo schreiden de jaren zich voort. Zijn geboortestreek wordt inmiddels geteisterd door politieke onrust en geweld. Franciscus laat in deze tijd nooit een feest aan zich voorbij gaan. Op het punt van oppervlakkig gedrag is hij eigenlijk al zijn kameraden de baas. Hij heeft zich opgewerkt tot hun gangmaker en wedijvert met hen in dwaze streken. Maar er zijn ook momenten dat deze pretmaker strijd levert met een heel ander iemand, alsof er plotseling een lichtstraal door zijn rusteloze jeugd valt. Op een dag, als hij alleen in de winkel van zijn vader staat en bezig is met het helpen van een paar klanten, verschijnt er een arme oude man aan de deur die om een aalmoes vraagt - ter liefde Gods. Franciscus is niet helemaal in zijn goede doen, aarzelt een moment, en stuurt met één woord de aalmoezenier weg. Dan begint Franciscus’ geweten te spreken: “En als deze man nu eens had gevraagd, niet ter liefde Gods, maar omwille van een baron of graaf, wat had je dan gedaan?” Hij aarzelt geen moment en snelt de deur uit, de bedelaar achterna, en drukt zijn hand vol met geldstukken. Bijna had hij God zonder pardon de deur uitgezet, bedenkt Franciscus nog. |