|
Franciscus wordt ziek en
verblijft enkele dagen in Spoleto. Hij wil zich bij het leger voegen, maar
zijn gezondheid laat het niet toe. Uit bittere noodzaak moet hij terug
naar huis. Wat een afgang voor hem! Hij loopt wat rond in zijn oude
omgeving en plotseling raakt hij in een soort extase. Daarin beleeft hij
de uitzinnige vreugde van een bekeerling die de wereld om zich heen in
rook ziet opgaan. Zijn vader praat over geld, macht, de winkel, maar
Franciscus kan het niet meer boeien.
Op een dag trekt hij erop uit voor een wandeling. Hij stuit op het
vervallen kerkje van San Damino. Onmiddellijk wordt zijn aandacht
getrokken door het grote sombere kruisbeeld dat boven het altaar hangt en
dat met een roerende naïviteit is geschilderd. De blik van Christus is op
de verte gericht, alsof hij de weg afzoekt naar iemand die allang had
moeten komen. Misschien zag Franciscus het beeld wel voor de eerste keer.
Het wordt hem nu in ieder geval duidelijk wat de kruisiging van Jezus
precies voor hem betekent. Hij valt op zijn knieën. Plotseling begint het
Christusbeeld te spreken: ‘Franciscus, herstel mijn huis’. Hij staat op,
beseft dat hij niet heeft gedroomd, en gaat aan het werk. Zijn kerk is
nodig aan een opknapbeurt toe. Franciscus heeft op dat moment nog niet
door dat de kerk met een grote ‘K’ wordt bedoeld, die moet worden
hersteld.
Herstel van de kerk
Het wordt Franciscus niet makkelijk
gemaakt. Voor het herstel van zijn kerk is geld nodig. In eerste instantie
wil hij zonder overleg het geld van zijn vader gebruiken. Zijn vader wordt
woest. Maar Franciscus weet wat en voor wie hij moet kiezen. Hij werpt
zijn kleding af, voegt de beurs met geld eraan toe en toont zich naakt aan
het publiek. Naakt als op de dag van zijn geboorte en nu naakt voor zijn
wedergeboorte. Het is een theatrale actie. Zo was hij al van jongs af aan.
Hij wilde altijd al nummer één zijn en in het middelpunt van de
belangstelling staan. Nu staat deze eigenschap in dienst van een ontembare
oprechtheid, die aan waanzin grenst. ‘Luistert naar mij’, begint
Franciscus te roepen. ‘Ik kan nu voortaan in alle vrijheid zeggen: Onze
Vader die in de hemelen zijt. Pietro Bernardone is mijn vader niet meer,
en ik geef hem hierbij niet alleen zijn geld terug maar ook zijn kleren.
Naakt zal ik de Heer tegemoet gaan’. De bisschop, al even ontroerd als de
menigte, sluit de jongeman onder tranen in zijn armen en bedekte hem met
zijn mantel. Zo nam de kerk bezit van een van haar grootste zonen. Onder
de misprijzende blikken van de mensen loopt Pietro Bernardone weg met zijn
bezit, maar met een bedroefd hart. Het is 10 april 1206.
Om Franciscus toch te kleden wordt er op de vuilnisbelt tussen weggegooide
kleren, een hemd en een tuinmansjasje vol gaten gevonden, die hij dankbaar
aantrekt. Waar moet hij nu heen? Hij besluit Assisi voor enige tijd te
verlaten en zijn heil te zoeken in Gubbio. Onderweg wordt hij overvallen
door een stel rovers. Franciscus heeft niets en ze besluiten dan maar zijn
mantel mee te nemen. Vervolgens duwen ze hem in een met sneeuw gevulde
kuil. Franciscus heeft het ijzingwekkend koud. Toch maakt een diepe
vreugde zich van hem meester. Het zet een lied in dat hij door de jaren
heen nog vaak zal zingen:
Onze verkwikking en onze
hoop
Gij zijt liefde,
Gij zijt wijsheid,
Gij zijt nederigheid,
Gij zijt geduld,
Gij zijt schoonheid,
Gij zijt zachtmoedigheid,
Gij zijt betrouwbaarheid,
Gij zijt rust,
Gij zijt vreugde en blijdschap,
Gij zijt onze hoop,
Gij zijt rechtvaardigheid,
Gij zijt matigheid,
Gij zijt al onze rijkdom en dat is ons genoeg.
Gij zijt beschermer,
Gij zijt onze behoeder en verdediger.
Gij zijt sterkte,
Gij zijt verkwikking.
Gij zijt onze hoop,
Gij zijt ons geloof,
Gij zijt onze liefde,
Gij zijt al onze zoetheid,
Gij zijt ons eeuwig leven,
grote en bewonderenswaardige Heer,
almachtige God, barmhartige Heiland. |