Christendom: Ontstaan en ontwikkeling
ACHTERGRONDINFORMATIE

Historisch perspectief
Ongeveer 2000 jaar geleden leefde de jood Jezus in Nazareth. Hij leefde in Palestina, het huidige Israël. Dit land kende door de eeuwen heen veel overheersers. Vanaf ongeveer 189 voor het begin van onze jaartelling kwam het gebied waarin de joden woonden onder het gezag van de Romeinen.
Tijdens alle overheersingen verloor het joodse volk nooit de hoop op een herstel van hun zelfstandigheid en op een betere tijd. Dit was beloofd door de profeten. Er zou een Messias, verlosser komen, een door God gezonden mens die het volk zou komen bevrijden
en een rechtvaardige wereld zou bewerkstelligen, het ‘Koninkrijk van God’.
Jezus was een jood die leefde volgens de joodse wetten, maar hij durfde ook deze wetten te bekritiseren. Dit deed hij door verhalen te vertellen waarin hij de mensen een spiegel voorhield. En door zelf daden te stellen liet hij zien waar het volgens hem in de verhalen om ging. Dit werd hem niet altijd in dank afgenomen. Volgens Jezus namen de religieuze leiders de godsdienstige wetten en voorschriften te letterlijk. Jezus beschouwde God als liefhebbend en vergevend en kwam op voor de zwakken in de samenleving. Hij liet mensen zien waarin zij verkeerd bezig waren en gaf aan hoe dat zou kunnen veranderen.
De joodse geestelijke leiders zorgden er uiteindelijk voor dat Jezus gearresteerd werd. De Romeinse overheersers konden geen weerstand bieden aan de invloedrijke geestelijken. Volgens Romeins recht werd Jezus veroordeeld tot de dood door kruisiging.
Al tijdens zijn leven waren er mensen die geloofden in wat Jezus vertelde en deed. Hij kreeg een kleine groep mensen om zich heen die hem beschouwde als hun leraar. Dit waren natuurlijk mensen van zijn eigen volk, joden.
Deze volgelingen vonden zijn boodschap zo belangrijk dat zij na zijn dood overal van en over Jezus wilden vertellen. De belangrijkste leerlingen werden apostelen. Achteraf gezien waren deze joden de eerste christenen. De boodschap van Jezus bleef levend.

De eerste volgelingen van Jezus waren er van overtuigd dat Jezus de lang verwachte Messias was, hij die het volk zou redden en zicht zou geven op een betere toekomst. Dit was goed nieuws voor de hele wereld. Daarom gingen de leerlingen op reis om intensief over Jezus te vertellen.
Het woord Messias is afkomstig van het Hebreeuwse ‘Masji’ach’ en betekent ‘gezalfde’. Christos is de Griekse vertaling ervan.

Langzamerhand ontstond het christendom. Door de verspreiding van het christendom in een steeds groter gebied, én door het verstrijken van de tijd verdwenen steeds meer de oorspronkelijk joodse elementen. Nieuwe volgelingen brachten ook hun eigen invloed mee. Christendom en jodendom vervreemdden van elkaar. De christenen stuitten bij de verbrei-
ding van hun geloof op tegenstand. Ze werden zelfs vervolgd en gemarteld. De Romeinse overheid was daarvoor verantwoordelijk.
De vervolgingen werden steeds erger, en tegelijkertijd breidde de aanhang van het christendom steeds meer uit. De boodschap sprak veel mensen aan; degenen die ermee in aanraking kwamen konden en wilden niet anders dan leven vanuit dit geloof.
Zo kon het christendom groeien in tal en macht. Uiteindelijk bekeerde Keizer Constantijn de Grote zich tot het christendom. Hij geloofde in de boodschap en kon mede door zijn bekering een eind maken aan de soms bloedige vervolgingen.
Vanaf toen konden de christenen vrij hun geloof beleven en gingen zij over tot het bouwen van plaatsen van samenkomst, die later kerken werden genoemd.
Het christendom verbreidde zich als een olievlek over de toen bekende wereld. De Romeinen brachten al in de eerste eeuwen christelijke elementen ons land binnen. Daarna, in de 7e en 8e eeuw kwamen Engelse monniken, waaronder Willibrord en Bonifatius Nederlanders bekeren tot het christendom. Toen al waren er in Nederland kerkjes.
Elementen van de toen bestaande (natuur)religies werden ingepast in het nieuwe geloof. Zo konden de paaseieren (lente, nieuw leven) en de kerstboom (licht in de duisternis) gehandhaafd blijven.
Ook in Nederland kon het christendom uitgroeien tot de meest beleden godsdienst.
Na de ontdekking en kolonisatie van de rest van de wereld verbreidde het christendom zich ook naar andere continenten.
Vanaf het midden van de 19e eeuw begonnen de christelijke kerken actief missie en zending te bedrijven over de hele wereld. De verschillende culturen en nationaliteiten brachten eigen tradities, rituelen en symbolen mee bij het tot uitdrukking brengen van hun geloof.
Uit de eerste vroegchristelijke kerken zijn wereldwijd veel andere stromingen ontstaan.
Al die stromingen hebben uiteindelijk dezelfde basis. Het geloof in de boodschap van Jezus Christus.
Dit geloof is de grootste en meest verbreide van alle wereldreligies geworden.
Het heeft veel verschillende vormen. Dit maakt het niet gemakkelijk om in een kort bestek recht te doen aan de veelheid en verscheidenheid van de ontstane stromingen. De verschillende groeperingen kunnen daarom slechts in zijn algemeenheid en heel summier aan de orde komen.

Leer en beleving
De boodschap die het christendom uitdraagt is, net als de boodschap van de beide andere grote wereldgodsdiensten, het boeddhisme en de islam voor de hele mensheid bestemd. Deze boodschap vinden christenen in de bijbel, die bestaat uit het Oude Testament en het Nieuwe Testament.
Jezus leerde de mensen dat God liefde is. Hij leerde de mensen van iedereen te houden, zelfs van je vijanden en was daarin zelf het grote voorbeeld.
In het Oude Testament staat dat God mensen schiep naar zijn eigen beeld en gelijkenis. De manier waarop Jezus leefde was dé manier waarop God de mensen had bedoeld. God schiep en Jezus lééfde naar dit beeld en deze gelijkenis: hij werd de zoon van God genoemd.
De grote vraag en bijbehorende opdracht van het christendom is dan ook: ‘Hoe kan ik van mensen houden zoals Jezus van mensen hield?
Wat het leven van Jezus inhield weten de christenen uit het tweede deel van de bijbel, voor en door christenen geschreven, ook wel het Nieuwe Testament genoemd. De eerste vier delen van dit boek handelen voornamelijk over het leven van Jezus. Jezus die leefde vanuit zijn joodse geloof, gebaseerd op het Oude Testament.

Het belangrijkste gegeven waarin christenen geloven is de opstanding van Jezus Christus (die ieder jaar met Pasen gevierd wordt), na zijn kruisdood. Voor de ene christen is dat een letterlijke opstandig uit de dood. Voor de ander is de kern van de opstanding het levend houden van Jezus’ voorbeeld op aarde, en dit na te leven. Waarbij iedereen, iedere tijd, iedere situatie een eigen invulling vraagt. Aan christenen is de taak om steeds op die vraag in veranderende situaties een invulling te geven.
Alle christenen hebben een aantal belangrijke geloofselementen. Dat zijn de geloofsbelijdenis, de tafel des heren (het delen van brood en wijn), en een gebed, het ‘Onze Vader’. Deze elementen worden in de Kerk samen beleefd.

Organisatie
De rooms-katholieke kerk is de oudste christelijke kerk en gaat terug naar de eerste eeuwen na Christus. In die eerste eeuwen bestond de Jezus-beweging nog niet uit één grote kerk, maar uit een groep losse gemeenschappen in de landen rond de Middellandse Zee. Onder de Romeinse keizers die toen heersten was het geloof in Jezus niet toegestaan en veel mensen werden om hun geloof ter dood gebracht, de martelaren. De grote verandering kwam toen in 312 de Romeinse keizer Constantijn zelf ook christen werd. Toen werd het christendom als godsdienst toegelaten en kon het zich verder uitbreiden. De plaatselijke leiders, van de kerken die her en der werden gesticht, werden bisschoppen genoemd. Met elkaar vormden zij de leiding van de kerk. Eén van die bisschoppen kwam uiteindelijk aan het hoofd van de kerk te staan, namelijk de bisschop van Rome, de Paus. Het woord paus is afgeleid van het Latijnse "papa" en betekent "vader". Grote kerkelijke besluiten worden genomen door een bisschoppenvergadering, concilie. Katholieke kerken werden en worden geleid door de pastoor. Een pastoor is altijd een man en mag niet getrouwd zijn. Tegenwoordig is er een tekort aan priesters, daarom zijn er nu ook veel kerken waar de leden zelf onder leiding van een pastoraal werker of pastoraal werkster gemeente zijn.
Andere van oorsprong Rooms-katholieke kerken zijn bijvoorbeeld de Oud-katholieke Kerk (Van Rome onafhankelijke katholieke Kerk) en de Anglicaanse Kerk. Het hoofd van de Anglicaanse kerk is de regerend vorst van Groot-Brittannië.