Loslaten
van je
vaderland


Er zijn veel landen op de wereld waar het niet veilig is om te leven. De mensen uit die landen vluchten naar een plek waar ze een beter leven kunnen opbouwen. Hun eigen vaderland moeten ze noodgedwongen loslaten. Een land waaruit veel mensen noodgedwongen moesten vluchten is Tibet.

Tibet ligt in de Himalaya. Dat zijn de hoogste bergen ter wereld. In 1950 viel het buurland China Tibet binnen. China vond dat Tibet geen apart land was maar een provincie van China. Sindsdien zijn de Chinezen de baas in Tibet. Voor de Tibetanen is het leven in hun eigen land niet meer veilig. Veel tempels enKlooster in Lhasa dorpen zijn kapot gemaakt. Monniken en gewone mensen zijn zonder reden gedood. Daarom zijn veel Tibetanen weggevlucht. Naar India, Nepal of naar Europa. Daar bouwen ze een nieuw leven op. Hun eigen vaderland Tibet moeten ze loslaten.


Oma
Voordat Tenzin Chomzom (12 jaar) en Nima Colkar (10 jaar) naar Barcelona kwamen, woonden ze bij hun oma in Nepal. Hoewel Tenzin en Nima in Nepal zijn geboren zijn ze Tibetaans.

Naam
In Nepal hadden Tenzin en Nima andere namen. Tenzins Nepalese naam is ‘Deeya’. Die van Nima is ‘Reeya’. Het was in Nepal beter om Nepalese namen te hebben. Dat was voor de mensen daar gemakkelijker uit te spreken. VLucht uit Tibet via de Himalaya

Vlucht uit Tibet
De vader Rushu van Tenzin en Nima is in Tibet geboren. Toen hij drie jaar oud was zijn Rushu’s ouders uit Tibet gevlucht. Ze hebben met Rushu negen dagen door de Himalaya gelopen. Na 9 dagen kwamen ze aan in Tishuli in Nepal. Daar waren ze eindelijk veilig! Vanuit Tishuli hebben ze de bus genomen naar de hoofdstad van Nepal genomen: Kathmandu. De ouders van Rushu wonen nu nog steeds in Kathmandu.

Gevechten in Tibet

Problemen met de Chinezen
De ouders van Rushu hebben in Tibet veel problemen gehad met de Chinezen. De vader van Rushu is zomaar in de gevangenis gezet. Rushu was toen nog niet geboren. Zijn vader wist nog niet eens dat zijn vrouw zwanger was. Toen Rushu drie maanden oud was, werd zijn moeder door de Chinezen in haar bovenbeen geschoten. Zij moest naar het ziekenhuis en kon niet meer voor Rushu zorgen. Gelukkig had de oudste zus van de moeder van Rushu ook een baby. Zij heeft Rushu toen borstvoeding gegeven. Dat was heel belangrijk want in Tibet was in die tijd maar moeilijk flesvoeding te krijgen.

Chinese vriendjesChinese vriendjes
Na drie jaar kwam de vader van Rushu eindelijk vrij uit de gevangenis. Ze zijn toen meteen naar Nepal gevlucht. In Nepal kreeg Rushu ook een Nepalese naam: ‘Dawao’. Later is Rushu samen met zijn ouders een paar keer terug gegaan naar Tibet om familie te bezoeken. Dat was erg fijn.
Rushu heeft heel lang niet geweten wat er vroeger in Tibet was gebeurd. Zijn ouders waren boos op de Chinezen maar wilden niet dat Rushu een hekel zou krijgen aan Chinezen. In Nepal had Rushu gewoon Chinese vriendjes.

Naar Barcelona
Toen Rushu volwassen werd is hij getrouwd en kreeg hij twee dochters: Tenzin en Nima. Rushu verkocht Tibetaanse kunst en was veel op reis. In Barcelona opende hij een Tibetaans restaurant. Toen Rushu een huis had gevonden kwamen zijn vrouw en kinderen ook naar Spanje. In het begin moesten Tenzin en Nima heel erg wennen aan het leven in Spanje. Ze misten Nepal en hun oma. Ze spraken geen Spaans en moesten naar een Spaanse school. Nu gaat het al een stuk beter. Al binnen 4 maanden spreken ze beter Spaans dan hun ouders. Dalai Lama

School
Tenzin wil later dokter worden en Nima lerares. In Barcelona gaat dat misschien lukken want daar zijn de scholen beter dan de scholen in Nepal. Binnenkort gaan Tenzin en Nima terug naar Nepal op vakantie. Daar hebben ze veel zin in.

Tibetaanse kolonie
De Dalai Lama woont samen met een heleboel andere vluchtelingen uit Tibet, nog steeds in de bergen van India. Van de Indiase regering kregen de Tibetaanse vluchtelingen eigen grond om op te wonen. In Dharamsala in India is nu een Tibetaanse kolonie te vinden. Daar wonen de Tibetanen samen in een eigen wijk. Ze hebben er een eigen tempel gebouwd en er hangen gebedsvlaggentjes boven de huizen.

GebedsvlaggetjesStraathonden
Zelfs aan de straathonden kun je zien dat je in de Tibetaanse kolonie bent. De honden zijn er goed doorvoed en hebben een glanzende vacht. De boeddhistische Tibetanen vinden het belangrijk om goed voor alle levende wezens te zorgen. Dus ook voor straathonden. De straathonden hebben er een veel beter leven dan de straathonden die tussen de Indiërs leven. Die zijn ongezond en broodmager.

Gebedsvlaggetjes
De Tibetanen hangen buiten felgekleurde gebedsvlaggetjes op. Op de vlaggetjes staan gebeden. Door de wind en de regen verkleuren de vlaggetjes. De Tibetanen geloven dat de wind Zand mandala'sde gebeden naar alle windstreken van de wereld zendt. Doordat de vlaggetjes vaal van kleur worden, wordt iedereen eraan herinnert dat alles in de wereld vergankelijk en tijdelijk is.

Zandmandala’s
De monniken in Tibet maken tijdens sommige feestdagen schitterende mandala’s van gekleurd zand. Een mandala is een symmetrische tekening. Elk zandkorreltje wordt precies op de juiste plek neergelegd. De monniken zijn er dagenlang mee bezig. Als de mandala helemaal klaar is wordt de tekening niet bewaard. De mandala wordt uitgeveegd. Zo willen de monniken laten zien dat alles tijdelijk is. Je moet kunnen loslaten wat je maakt. Het gaat om het werken aan de mandala en niet om het eindresultaat.