|
Geschiedenis
De oorsprong van Missio ligt in een initiatief van een jonge vrouw
Pauline Jaricot te Lyon. De organisatie die zij in 1816 begonnen is, is in
1822 door de kerk overgenomen. Zij heeft vanaf het begin de wereldwijde
dimensie van missie benadrukt en weten te versterken.
Later zijn er gelijksoortige initiatieven gevolgd ten bate van kinderen
(1843), de opleiding van eigenlandse priesters (1889) en missionaire
bewustwording van priesters in eigen land (1916). In 1922 werden deze vier
bewegingen samen gebracht onder de Pauselijke Missiewerken.
De stichteres Pauline Jaricot: "Ik wil vrij zijn om te gaan waar de
noden het grootst zijn"
Een zoetig boekje vormt de enige gedrukte biografie van Marie Pauline
Jaricot (Lyon, 1799-1862). Zij zag als een van de eersten het belang
in van steun aan de missie zonder grenzen. Sommigen zouden haar diepe
godsvrucht vandaag de dag dweperij noemen. Maar het wordt al anders als
men bedenkt, dat zij het ook opnam voor de rechten van de uitgebuite
arbeiders in de Franse Midi. Zij richtte een sociale bank van lening op en
een reizende volksbibliotheek. Reconstructie van het leven van een 19e
eeuwse wereldburgeres, voor wie geloof en sociale gerechtigheid hand in
hand gingen.
Op 22 juli 1799 werd in Lyon Pauline Jaricot geboren, kind van rijke
zijde-industriëlen. Vanaf haar vroegste jeugd kreeg ze, volgens haar
biografen, een ‘goede’ christelijke opvoeding. Na herstel van een ernstige
ziekte en het overlijden van haar moeder in 1816 besloot Pauline om God
geheel te dienen en zich te wijden aan diegenen die zich om het katholieke
geloof bekommerden. Eind 1816 legde ze voor zichzelf de gelofte van
kuisheid af. Ze nam de manier van leven en de kledij van de arme
arbeidsters aan.
Tupperware-systeem
Door haar broer Philéas, die aan het Parijzer Saint Sulpice-seminarie
studeerde en zich voorbereidde op uitzending naar China, hoorde Pauline
van de zorgelijke situatie van de missie. Zij werd lid van een vereniging
voor de koloniale missiën. Maar zij zocht iets levendigers, iets dat de
geestdrift voor de missie beter, van binnenuit, kon oproepen. Iets waarmee
alle katholieken geraakt konden worden en wat kon uitgroeien tot
daadwerkelijke hulp. Broerlief gaf haar de tip om daarbij niet alleen aan
de Franse koloniale missies te denken, maar aan alle missies in de wereld.
Op een winteravond in 1819 vond Pauline, zoals ze zelf vertelde, in een
plotselinge vlaag van inspiratie de ideale manier van fondsenwerven.
Zoals we vandaag de kettingverkoop van Tupperware kennen, bedacht zij het
systeem van groepen van tien mensen, waarvan elk probeerde een nieuwe
groep van tien mensen te vormen. Dit zou op zijn beurt dan uitmonden in
honderden en op het laatst duizenden groepen. Iedere groep had een leider
en elk lid had de plicht om dagelijks een gebed te zeggen en om wekelijks
een geldoffer opzij te zetten. Jaricot noemde deze vorm van
groepsorganisatie ‘de levende rozenkrans’. Het begin was er. De
eerste leden waren de arbeidsters van de fabriek van de zus en zwager van
Pauline. Uit diezelfde arbeidsters werden de dames geselecteerd die de
groepen in gebed en fondsenwerving moesten leiden: zelatrices. Die
zelatrices kregen een eigen vereniging met de naam ‘Reparatrices van
het Heilig Hart van Jezus’ .
Snelle groei
Al gauw stond Pauline aan het hoofd van een groep met duizend mensen. De
vereniging sierde zich met de naam ‘Genootschap tot Voortplanting van het
Geloof.’ Het werk groeide snel. In 1821 telde het genootschap 2.000 leden.
Tussen juni 1821 en mei 1822 groeiden de collecteopbrengsten naar 2000
franc. Eind van dat jaar bedroeg de totale opbrengst, sinds de start,
8.050,30 franc.
Naast Paulines Genootschap was er in Lyon al geruime tijd nóg een
missiecomité bezig. De mensen van dat comité waren bijzonder geporteerd
van Jaricot’s ideaal van steun aan de wereldwijde missie, niet gebonden
aan Frans koloniaal bezit of ‘eigen’ (Franse) missionarissen. Pauline
Jaricot hoefde niet lang na te denken over de vraag, of ze haar
genootschap wilde overdragen. Op 3 mei 1822 vond de overdracht plaats. Men
richtte een heus centraal bureau op. Franciscus Xaverius, 16e eeuwse
missionaris in China, werd de beschermheilige.
Bank van de Hemel
En Pauline? Zij bleef leidster van een groep van honderd. In de nieuwe
organisatie en de nieuwe leiding zag zij het middel om aan het genootschap
het universele karakter te geven, waarvan zij onophoudelijk had gedroomd.
Een eeuw later, in 1922 kreeg Paulines beweging het predikaat
‘pauselijk’. De overdracht van haar genootschap betekende nog niet het
einde van Paulines werkkracht. Haar creatieve geest bracht haar op nieuwe
plannen. ‘Mijn roeping’, zo schreef ze, ‘is niet om mij vast te
zetten op één initiatief om daarna de rest te vergeten. Ik wil vrij zijn
om te gaan waar de noden het grootst zijn’. Achtereenvolgens richtte
zij De Goede Pers op, een reizende volksbibliotheek (1826), de Bank van de
Hemel (1830) en de congregatie van de Dochters van Maria (1831). De Bank
van de Hemel had Pauline opgericht om de arbeiders van Lyon te hulp te
schieten. Maar de bank werd een jammerlijke mislukking, wat voor Pauline
een onophoudelijke lijdensweg werd tot aan haar dood in 1862. Op 8 januari
sterft zij, berooid en door iedereen vergeten.
Met het oog op haar zaligverklaring loopt in Rome al enkele jaren een
onderzoek.
|
|
|