Trap van de goden

De indrukwekkende regenboog is een natuurverschijnsel dat overal ter wereld te zien is. Daarom is het niet vreemd dat elke cultuur of godsdienst zijn eigen verhalen en mythen rondom de regenboog kent. De inhoud van de regenboogverhalen zijn erg verschillend. Ze gaan bijvoorbeeld over regenboogslangen, potten met goud, chakra’s en vreemd gaan. KLAP zet de mooiste regenboogverhalen voor je op een rijtje.

Boeddha wordt geborenBoeddhistische regenbogen:
Koningin Maya, de moeder van Boeddha, gaat hoogzwanger op reis naar het huis van haar ouders. Onderweg merkt ze in de tuin van Loembini dat de geboorte al is begonnen. Alle bomen, planten en dieren in de tuinen fluisteren tegen elkaar dat er een heel bijzonder kind geboren gaat worden. Koningin Maya zoekt in de tuin een mooi plekje om haar kind ter wereld te brengen. Een mooie grote boom buigt zich voorover. Met zijn takken biedt hij een beschut plekje aan koningin Maya. En daar wordt de kleine Boeddha geboren.

 

ChakrasHindoeïstische-regenbogen:
De zeven kleuren van de regenboog horen bij de zeven chakra’s op het lichaam. Volgens de hindoes zijn chakra’s punten op je lichaam waar je levensenergie doorstroomt. Chakra betekent ‘spinnewiel’ in het Sanskriet, de taal van de hindoes.
De kleur rood hoort bij de wortelchakra. Die is te vinden bij je stuitje. Oranje hoort bij de chakra onder je navel. Geel past bij je zonnevlecht-chakra, die zit rondom je navel. Groen hoort bij je hartchakra; blauw bij je keelchakra; indigo bij je voorhoofdchakra en violet bij je kruinchakra.
Van top tot teen heb je dus een eigen kleurrijke regenboog op je lichaam, aldus de oude geschriften van de hindoes.

 

Chinese regenbogen; onbeleefd
In China is de regenboog het symbool van het samengaan van het mannelijke (Yang) en het vrouwelijke (Yin).

De regenboogslang; bron van leven
Steeds als de Aboriginals een regenboog aan de hemel zien verschijnen, worden ze herinnert aan de Regenboogslang. De Regenboogslang de bron van geestkinderen. Deze geestkinderen verstoppen zich vaak op plaatsen waar veel water te vinden is, zoals in een bron of rivier.

De regenboogslang
Lang geleden waren er eens vijf Aboriginals-broers: Gandar, Dulbu, Nadjirgu, Djagulg en Djabel. Ze woonden in een kamp. De vijf broers waren altijd druk bezig met het zoeken naar eten. Het meest hielden ze van vissen in zoet water. De broers hadden bijna altijd verse vis om op te eten.
Op een dag waren de twee oudste broers op jacht. De drie jongste broers gingen vissen in een stroompje met zoet water. Tijdens het vissen zwommen en speelden de drie broers in het water. Ze hadden veel plezier. Pas toen hun netten vol met vis zaten, kwamen ze uit het water. De drie broers trokken de volle visnetten op de oever en maakten een vuurtje om de verse vissen te bakken. Natuurlijk aten ze niet alles met z’n drieën op. Elke broer bewaarde één grote vis voor de twee oudste broers. Want na de jacht hadden ze vast honger.
De twee oudste broers kwamen al gauw terug met een kangaroe aan hun speer. Zo werd het een echt feestmaal.

Toen begon het opeens heel hard te regenen. Iemand had de Regenboogslang opgeroepen om de broers te doden.

De Regenboogslang was één van de belangrijkste Droomtijd-wezens. Hij had de aarde gemaakt. In het begin was de aarde grijs en vlak. De Regenboogslang kronkelde met zijn grote lijf door de aarde. Met iedere bewegingen van zijn slangenlijf maakte hij de bergen, rivieren en andere vormen.

Urenlang bleef het maar regenen. De broers waren erg bang. Na een tijdje zagen ze tussen de dikke regendruppels iets glibberigs naar beneden vallen. Het kronkelde richting hun kamp. Het zag er uit als een waterslang.
De twee oudste broers pakten een stok om het glibberige vreemde wezen te slaan. De slang rolde zich op. Op haar hoofd had de slang twee gekke hoorntjes.
`Het is de Regenboogslang´, zeiden de twee oudste broers. `Die komt ons opeten´.
`Welnee´, zeiden de drie jongste broers. `Het is maar een gewone waterslang. Laten we de slang opeten. Er zit veel vlees aan.´
Maar toen de broers de slang probeerden te slaan verdween ze meteen onder de grond. Op een andere plek kwam ze weer naar boven. Dit was geen gewone slang, begrepen de broers. De slang kronkelde naar de broers toe.
De broers spraken tegen de slang in de taal die ze van hun ouders hadden geleerd.
`Ben jij een gewone waterslang?’, vroegen de broers angstig.
De slang schudde haar kop.
‘Ben jij dan de Regenboogslang die ons komt opeten?’
De slang knikte.
Meteen sloegen de broers de Regenboogslang van schrik dood. Daarna renden ze hard weg. Wat hadden ze gedaan? De Regenboogslang was het belangrijkste Droomtijd-wezen. Maar het was al te laat. Overal kwam water van de Regenboogslang omhoog.
De broers hadden de dochter van de Regenboogslang doodgeslagen. Niet de échte Regenboogslang.
De vijf Aboriginals broers verdwenen samen met hun kamp in het water afkomstig van de Regenboogslang. De Regenboogslang moest ervan overgeven in de rivier. Snel veranderden de broers zich in zoetwatervissen.
Nog steeds kun je deze vissen zien in het land van de Aboriginals. Er zijn verschillende soorten. Allemaal hebben ze een eigen naam. Zo zijn er Gandarvisjes, evenals Dulbu-, Nadjirgu-, Djagulg- en Djabelvisjes.
De Aboriginals weten dat dit de geesten van de vijf broers zijn, die overgingen naar de Droomtijd.