
Bij Dokkum vermoord
De regel klinkt velen nog bekend in de oren:
"754: Bonifatius bij Dokkum vermoord". Bonifatius was een christelijke
missionaris die tijdens zijn bekeringswerk door Friese heidenen werd uitgeschakeld, zover
komen de meesten van ons nog wel. Maar wie was deze heilige, die ruim 12 eeuwen geleden
het Woord Gods verspreidde in onze contreien en die het in Nederland uiteindelijk schopte
tot patroon van een provincie, twee grote steden en een bisdom?
Winfried
Bonifatius werd omstreeks omstreeks 672, op zijn laatst
in 675, als Winfried in het toenmalige Engelse koninkrijk Wessex geboren. Zijn wieg stond
waarschijnlijk in het plaatsje Crediodunum, of Crediton. Hij was van adelijke huize en
ambieerde, geheel tegen de zin van zijn ouders, al vroeg een religieus bestaan. Na een
opleiding van zeven jaar in het Klooster in Exeter, ging hij naar het klooster van
Nhutscelle, het huidige Nursling. Daar legde hij zijn gelofte af als benedictijner Monnik.
Priester, leraar en bijbelkenner
Toen Winfried dertig jaar oud was werd hij tot Priester
gewijd. Hij werd hoofd van de kloosterschool, waar hij grammatica-, en literatuuronderwijs
gaf. Daarnaast genoot hij al gauw enige faam vanwege zijn preken, zijn bijbelcommentaren,
zijn Engelstalige grammatica van het Latijn en zijn vele gedichten. Hoewel een glansrijke
carrière in de Engelse Kerk voor hem weggelegd leek, kreeg hij van zijn Bisschop toch
toestemming om gehoor te geven aan zijn grootste roeping: de Missie.
Mislukte missie naar Friesland
Winfried koos er in zijn eigen woorden voor om
Pelgrim te worden voor Christus. In 716 vertrok hij naar Friesland om daar
Missionaris te worden. Deze reis liep op een teleurstelling uit, aangezien politieke
omstandigheden het hem onmogelijk maakten zijn werk goed te doen. Teruggekeerd in Engeland
werd hem gevraagd de overleden Abt van zijn klooster op te volgen, maar dat weigerde hij.
Naar Rome
Bonifatius besloot om eerst een bezoek aan Rome te
brengen, alvorens zich weer aan de missie te wijden. Van Paus Gregorius II (715-731)
hoopte hij een officiële apostolische missieopdracht te krijgen en de benodigde rechten
en vrijbrieven te verwerven voor een succesvollere volgende reis. Zijn reis naar Rome
begon hij met een bezoek aan een andere bekende Angelsaksische missionaris uit die tijd:
bisschop Willibrord van Utrecht. Deze bisschop der Friezen had al veel
missiewerk in Friesland verricht.
Winfried wordt Bonifatius
De paus verleende Winfried op 15 mei 719 het recht
om het Evangelie te verkondigen onder de heidenen in Duitsland, ter rechter zijde van de
Rijn. Het is zo goed als zeker dat de paus bij deze gelegenheid Winfried zijn nieuwe naam
gaf, ter bekrachtiging van zijn missie. Overeenkomstig een oud gebruik koos hij daarvoor
de naam van de heilige van de voorafgaande dag, in dit geval de H. Bonifatius van Tarsus
(? -307). De Latijnse naam Bonifatius betekent weldoener of, in een andere
uitleg, goed fortuin. Het is tekenend voor Winfrieds missiezucht, dat
hij nadien nooit meer zijn oude naam heeft gebruikt.
Romegetrouw
Gregorius II verplichtte hem wel nadrukkelijk om bij
moeilijkheden de Heilige_Stoel te raadplegen. In het geval van Bonifatius, afkomstig uit
de Engelse Kerk, had de paus overigens niet veel te vrezen. Het waren in de vroege
middeleeuwen met name de Keltisch-georiënteerde Ierse en Schotse Kerk die neigden naar
onafhankelijkheid en zelfstandigheid. De Engelse Kerk was sterk op Rome gericht.
Op reis met bisschop Willibrord
Terug in het Noorden reisde hij eerst enige tijd met
Willibrord door Friesland en Thüringen. Van deze oude bisschop en missionaris leerde hij
vooral om bij zijn plannen rekening te houden met het politieke krachtenveld. Willibord
wilde Bonifatius als zijn assistent in Utrecht aanstellen en tot opvolger voor de
bisschopszetel maken. Maar Bonifatius weigerde en gaf daarbij als voornaamste reden, dat
de paus hem voor missiewerk had gestuurd.
Missiebisschop
Hij had zijn eigen missie nog maar nauwelijks hervat,
toen hij in 722 naar Rome werd geroepen, waar de paus hem tot Missiebisschop wijdde.
Gregorius II gaf hem de opdracht de Kerk in Duitsland te organiseren en voorzag hem van
een aanbevelingsbrief aan Karel Martel, de Frankisch-Karolingische heerser. Ook voor alle
andere betrokken bisschoppen en vorsten kreeg Bonifatius brieven mee.
De eik van Thor
Bij zijn terugkeer in Hessen verwoeste Bonifatius de
heidense heiligdommen en stichte talrijke kerken en kloosters. Een bekende anecdote
verhaald hoe Bonifatius een aan de Germaanse oorlogsgod Tor gewijde eik velde, om
vervolgens met het hout een aan Petrus gewijde kapel te bouwen. Hij deed dit om de
heidenen te tonen hoe machteloos hun goden waren. Toen er geen bliksemschicht uit hemel
kwam om Bonifatius te vernietigen, bekeerden velen zich dan ook tot zijn God. Een andere
variant van dit verhaal vertelt hoe hij een denneboom, die tussen de wortels van de
gevelde eik opgroeide, tot een nieuw christelijke symbool verhief, hetgeen weer leidde tot
onze latere Kerstboom.
Kerkorganisator en aartsbisschop
Bonifatius legde door zijn organisatorische werk het fundament voor de gehele Duitse kerk.
Verder stichtte hij vele instellingen voor religieus onderwijs, ten einde de eenheid en
continuïteit van de leer te waarborgen. Als erkenning voor zijn diensten benoemde paus
Gregorius III (731-741) hem in 732 dan ook tot Aartsbisschop zij het in eerste
instantie zonder zetel - en tot pauselijk Vicaris voor het oostelijke deel van het rijk
der Franken. Bovendien verleende hij hem toestemming om bisdommen te gaan stichten.
Invloed op kerk en staat
Door zijn goede relaties, enerzijds met Rome en
anderzijds met de Karolingische vorsten droeg Bonifatius er in belangrijke mate aan bij
dat de Heilige Stoel nauw bij de ontwikkeling van Midden-Europa betrokken raakte. Hij werd
in 738 dan ook tot pauselijk legaat voor het rijk der Franken benoemd. Het netwerk van
bisschopszetels dat hij tot stand bracht, vormde de kerkelijke structuur waarop Karel de
Grote in het laatste kwart van de 8e eeuw zijn staatsstructuur tot stand kon brengen.

Utrecht en Mainz
Toen Willibrord in 744 overleed, nam Bonifatius het
bisdom Utrecht onder zijn hoede. Voor het dagelijks bestuur stelde hij daarbij zijn
medewerker Eoban als assistent-bisschop aan. Bonifatius, die als aartsbisschop nog altijd
geen zetel had, liet rond dezelfde tijd zijn oog vallen op Keulen, waarvan de zittende
bisschop net was overleden. Hoewel ook paus Zacherias (741-752) zijn goedkeuring verleende
aan deze keuze, verzette de Clerus van Keulen zich heftig tegen het plan. Nog voor dit
verzet gebroken was overleed de bisschop van Mainz, waarop de paus Bonifatius in 747 tot
aartsbisschop van Mainz en Primaat van Duitsland benoemde.
De missie in Friesland hervat
In 754, op ongeveer 80-jarige leeftijd, droeg
Bonifatius het aartsbisdom Mainz over aan zijn leerling en neef Lullus. Het bisdom Utrecht
droeg hij in 753 al over aan zijn assistent Eoban. Zelf wilde hij zich opnieuw aan de
kerstening van Friesland gaan wijden. Dat de missie hem, ondanks zijn hoge positie, nog
altijd na aan het hart lag was al eerder duidelijk geworden. Al in 738 weigerde paus
Gregorius in te gaan op Bonifatius verzoek om terug te mogen treden als
aartsbisschop, teneinde zich weer volledig aan de bekering van heidenen te kunnen wijden.
Kennelijk vond Bonifatius 15 jaar later dat hij aan zijn verplichtingen jegens de Heilige
Stoel had voldaan. Hij besloot toen toch weer het werk op te nemen waar zijn missieleven
ooit mee begon: de bekering van de weerbarstige Friezen.
Brute moord
Als hij op 5 juni 754 met Pinksteren onderweg is naar
een door hemzelf afgekondigd doopfeest bij Dokkum, wordt hij overvallen door lieden die
aan hun oude geloof willen vasthouden. Zij vermoorden de apostel der Duitsers en der
Friezen op brute wijze, tezamen met circa vijftig van zijn volgelingen, onder wie
bisschop Eoban van Utrecht. De oude missionaris zou daarbij nog geprobeerd hebben de
zwaardslagen af te weren met een (evangelie)boek.
Bonifatiusbron
Volgens de overlevering zakten de achterbenen van het
paard van Bonifatius bij de overval weg in de modder, waardoor hij een makkelijke prooi
werd voor zijn belagers. Maar tegelijkertijd zouden de paardenbenen gaten in het moeras
hebben gedreven, waardoor een zoetwaterbron ontstond met geneeskrachtige werking. Een
ander verhaal vertelt hoe Bonifatius, die dorst had, zijn hand ophield, waarop door het
stampen van zijn paard ter plekke een bron ontstond.
Bonifatiusbeeld
Het is niet helemaal duidelijk waar de bron van
Bonifatius zich precies bevindt. Waarschijnlijk in een vijver net buiten de oude stad, de
zogenoemde dobbe. Maar Dokkum heeft op de Marktplaats, bij een fonteintje dat
in de Middeleeuwen het centrum van de Bonifatiusverering in de stad was, een beeld van de
missionaris geplaatst. Op de sokkel staat in het Latijn geschreven: "Sint Bonifatius
werd hier in 754 gedood en vanaf die dag begon het licht van het Evangelie te schijnen
voor heel Friesland".
Via Utrecht en Mainz naar Fulda
Bonifatius lichaam werd in eerste instantie in de
Sint-Salvatorkerk in Utrecht bijgezet. Maar op verzoek van aartsbisschop Lullus, werd het
al gauw naar Mainz overgebracht. Uiteindelijk werd Bonifatius op zijn eigen verzoek
begraven in zijn geliefde Abdij van Fulda, door hemzelf in 744 gesticht. Daar had hij de
laatste tien jaren van zijn leven zoveel mogelijk tijd in gebed en meditatie doorgebracht.
De plek werd al gauw een beroemd bedevaartsoord. Om zijn schrijn werden steeds grotere
kerken gebouwd, met als uiteindelijk resultaat de huidige de Dom van Fulda, die in 1712
werd gewijd.
Feestdag
Bonifatius werd als Martelaar direct na zijn dood
heilig verklaard. In Engeland werd zijn feest waarschijnlijk het eerst op een vaste dag
gevierd. Op 11 juni 1874 verklaarde paus Pius IX zijn sterfdag 5 juni to een wereldwijde
feestdag.
Bonifatius als patroon
Bonifatius is in Nederland Patroon van Friesland,
Utrecht, Haarlem en het bisdom Groningen. Verder van Engeland en van vele Duitse streken
en steden. Hij is bovendien de Schutsheilige van bierbrouwers, boekhandelaren,
kleermakers, transportarbeiders en vijlenmakers.
Attributen
Enkele van Bonifatius meest voorkomende attributen
zijn: een boek waar een zwaard of dolk doorheen steekt, het zwaard zelf, een staf waarmee
hij een bron laat ontspringen, een bijl waarmee hij een eik omhakt , een vos, een raaf en
een gesel en een kruis- of kromstaf.